Verzoek voorlopige voorziening LCG afgewezen, proceskosten vergoed
ECLI:NL:RVS:2026:5069, Raad van State, 31-08-2026, 202601938/2/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij brief van 6 juni 2024 heeft LCG Avans Hogeschool B.V. (Avans+), nu Habeo+, met ingang van 15 juni 2024 voor ten minste twee jaar verwijderd uit het register van de Gedragscode Internationale student hoger onderwijs. Hiertegen heeft Avans+ op 15 juli 2024 bezwaar gemaakt. Bij brief van 1 augustus 2024 heeft LCG Avans+ medegedeeld dat de brief van 6 juni 2024 geen besluit is en dat het bezwaar daarom niet inhoudelijk wordt behandeld. Bij uitspraak van 11 mei 2026 heeft de rechtbank het door Habeo+ daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 augustus 2024 vernietigd en LCG opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft LCG hoger beroep ingesteld en de de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Kern van de zaak
Stichting Landelijke Commissie Gedragscode Internationale Student Hoger Onderwijs (LCG) stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank en verzocht een voorlopige voorziening. Habeo+ Hogeschool B.V. had belang bij voortvarende besluitvorming. LCG wilde voorkomen dat zij alvast uitvoering moest geven aan de rechtbankuitspraak.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter van de Raad van State wijst het verzoek om voorlopige voorziening af als kennelijk ongegrond. Doorslaggevend is dat de uitspraak van de rechtbank enkel strekt tot het nemen van een inhoudelijke beslissing op bezwaar, zodat de gevolgen gemakkelijk ongedaan kunnen worden gemaakt en de belangen van Habeo+ bij voortvarende besluitvorming zwaarder wegen.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele beslissing van de voorzieningenrechter over een voorlopige voorziening in een specifiek geschil tussen een hogeschool en de LCG, zonder nieuwe rechtsnormen te stellen. De uitkomst is sterk casuïstisch en heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Hoger beroep heeft geen schorsende werking (artikel 6:16 Awb jo. artikel 6:24 Awb), zodat de uitspraak van de rechtbank in beginsel moet worden uitgevoerd.
- 2De rechtbankuitspraak verplicht LCG slechts tot het nemen van een inhoudelijke beslissing op bezwaar, wat geen onomkeerbare gevolgen meebrengt.
- 3Op grond van artikel 6:19 lid 1 Awb wordt het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen de nog te nemen nieuwe beslissing op bezwaar.
- 4De belangen van Habeo+ bij voortvarende besluitvorming wegen mee bij de afwijzing van de voorlopige voorziening.
- 5LCG wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00 voor door Habeo+ ingeschakelde professionele rechtsbijstand.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de standaardregel dat hoger beroep geen schorsende werking heeft en dat een voorlopige voorziening niet snel wordt getroffen als de rechtbankuitspraak slechts tot heroverweging verplicht. De koppeling via artikel 6:19 Awb waarborgt dat het hoger beroep ook de nieuwe beslissing op bezwaar omvat.
Praktische impact
LCG moet ondanks het lopende hoger beroep alsnog een inhoudelijke beslissing op bezwaar nemen ten gunste van Habeo+, en draagt bovendien de proceskosten van € 934,00. Habeo+ Hogeschool profiteert van een snellere voortgang in de procedure.
Onderwerp-impact
Voor hogescholen en andere onderwijsinstellingen die te maken hebben met besluiten van de LCG inzake de Gedragscode Internationale Student bevestigt deze uitspraak dat bezwaarprocedures niet eindeloos kunnen worden vertraagd door hoger beroep zonder schorsende werking.
Samenvatting
In deze zaak verzocht de Stichting Landelijke Commissie Gedragscode Internationale Student Hoger Onderwijs (LCG) de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, nadat zij hoger beroep had ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank. De rechtbank had LCG opgedragen een inhoudelijke beslissing op bezwaar te nemen in een geschil met Habeo+ Hogeschool B.V. LCG wenste de uitvoering van die uitspraak op te schorten in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. De juridische vraag was of er voldoende grond bestond voor het treffen van een voorlopige voorziening, gelet op de belangen van beide partijen en de aard van de rechtbankuitspraak. De voorzieningenrechter wees het verzoek af als kennelijk ongegrond. Het uitgangspunt is dat het instellen van hoger beroep geen schorsende werking heeft op grond van artikel 6:16 Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 Awb. Dit betekent dat de uitspraak van de rechtbank in beginsel ten uitvoer moet worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Bepalend voor de afwijzing was dat de rechtbankuitspraak uitsluitend strekt tot het nemen van een inhoudelijke beslissing op bezwaar. De gevolgen van uitvoering van die uitspraak zijn daardoor gemakkelijk te herstellen en vergen van LCG weliswaar enige maar geen onevenredige inspanning. Bovendien zorgt artikel 6:19 lid 1 Awb ervoor dat het lopende hoger beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen de nieuwe beslissing op bezwaar die LCG nog moet nemen. Gelet op de belangen van Habeo+ bij voortvarende besluitvorming woog geen van de aangevoerde gronden zwaar genoeg om een voorlopige voorziening te rechtvaardigen. LCG werd tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Habeo+ ten bedrage van € 934,00.