Hoger beroep vreemdeling ongegrond: SIS-signalering en Terugkeerrichtlijn
ECLI:NL:RVS:2026:5063, Raad van State, 01-09-2026, BRS.26.000326
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 31 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een vreemdeling tekende hoger beroep aan bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingrechtelijke zaak. Het geschil betreft de vraag of sprake is van een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn en de toepassing van het evenredigheidsbeginsel bij een SIS-signalering inzake terugkeer.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling past artikel 91, tweede lid, Vw 2000 toe omdat het hogerberoepschrift geen rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, nu deze vragen al waren beantwoord in een eerdere uitspraak van 17 juli 2026.
Impactscore
LaagDe uitspraak bevat geen nieuwe rechtsoordelen en is uitsluitend gebaseerd op reeds bestaande jurisprudentie; de verkorte motivering ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 onderstreept het routinematige karakter van de beslissing.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de verkorte motiveringsplicht ex artikel 91 lid 2 Vw 2000: geen nadere motivering vereist
- 2Relevante rechtsvragen over artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en SIS-signalering waren reeds beantwoord in RvS 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4177)
- 3Geen prejudiciële vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht vereist (conform HvJ 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24)
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
- 5Enkelvoudige kamer: bevestiging aangevallen uitspraak zonder inhoudelijke herbeoordeling
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure in vreemdelingenzaken en sluit aan bij de reeds gevormde jurisprudentie over artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en SIS-signaleringen. Er worden geen nieuwe rechtsvragen gesteld of beantwoord.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent dit dat de eerdere beslissing in stand blijft en de SIS-signalering met bijbehorende terugkeerconsequenties gehandhaafd blijft. Er is geen verdere mogelijkheid tot herziening langs deze weg.
Onderwerp-impact
De uitspraak heeft beperkte zelfstandige impact op vreemdelingenzaken; zij bevestigt slechts bestaande jurisprudentie over de Terugkeerrichtlijn en de omgang met SIS-signaleringen binnen de EU.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep van een vreemdeling tegen een uitspraak van de rechtbank ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het geschil betrof de vraag of de betrokkene in aanmerking kwam voor de uitzondering van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn — te weten het bestaan van een andere toestemming tot verblijf in een EU-lidstaat (Portugal) — en de toepassing van het evenredigheidsbeginsel in relatie tot een SIS-signalering inzake terugkeer. De Afdeling heeft gebruik gemaakt van de verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, op grond waarvan een oordeel niet nader gemotiveerd hoeft te worden indien het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling stelde vast dat de aan de orde gestelde rechtsvragen reeds waren beantwoord in haar uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4177, overwegingen 3 tot en met 4.3). Het hogerberoepschrift gaf geen aanleiding hierover anders te oordelen. Voorts waren er geen vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht die een prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie rechtvaardigden, conform het criterium uit het arrest Remling van 24 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:243). De minister behoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is van beperkte zelfstandige juridische betekenis en bevestigt uitsluitend bestaande rechtspraak over de Terugkeerrichtlijn en SIS-signaleringen.