JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:5055Laag8/100

Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard

ECLI:NL:RVS:2026:5055, Raad van State, 31-08-2026, BRS.26.003471

Raad van StateUitspraak: 31 augustus 2026Publicatie: 27 augustus 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.003471
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vreemdelingenbewaring
Verkorte Afdoening
Artikel 91 Vw2000
Hoger Beroep Ongegrond

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 19 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

Kern van de zaak

Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn vreemdelingenbewaring. De appellant, bijgestaan door een advocaat uit Utrecht, betwistte de rechtmatigheid van de opgelegde bewaring. De zaak betreft de toepassing van de Vreemdelingenwet 2000.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen, en ziet ook ambtshalve geen reden om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten.

8van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak betreft een standaard ongegrondverklaring met verkorte motivering in een individuele bewaringszaak, zonder nieuwe rechtsvragen of precedentwerking. De verwijzing naar het Remling-arrest is illustratief maar voegt geen nieuwe rechtsnorm toe.

Belangrijkste punten

  • 1De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overweging 5.3) volledig over zonder nadere motivering op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000.
  • 2Er zijn geen vragen die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden.
  • 3Er zijn ook geen vragen over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen, onder verwijzing naar het arrest Remling (HvJ EU 24 maart 2026).
  • 4De Afdeling heeft ambtshalve de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring getoetst en geen onrechtmatigheid vastgesteld.
  • 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak past de verkorte afdoening ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe en bevestigt daarmee de standaardpraktijk bij vreemdelingenbewaring waarbij geen rechtsvragen van algemeen belang spelen. De verwijzing naar het recente HvJ EU-arrest Remling (2026) geeft aan dat de Unierechtelijke toetsingsmaatstaf voor verkorte motivering actueel is bevestigd.

Praktische impact

Voor de appellant betekent deze uitspraak dat de vreemdelingenbewaring rechtmatig wordt geacht en hij geen aanspraak heeft op proceskosten. De zaak biedt geen precedentwerking voor toekomstige bewaringszaken.

Onderwerp-impact

In het vreemdelingenrecht bevestigt deze uitspraak de toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure bij hoger beroep inzake bewaring, zonder nieuwe normen te stellen voor de beoordeling van de rechtmatigheid van vreemdelingenbewaring.

Samenvatting

In deze zaak heeft een vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over de rechtmatigheid van zijn vreemdelingenbewaring. De appellant werd bijgestaan door een advocaat in Utrecht. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Afdeling past de verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000 toe. Dit betekent dat de uitspraak niet nader hoeft te worden gemotiveerd, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overweging 5.3) volledig over en onderschrijft daarmee het oordeel van de rechtbank dat de bewaring rechtmatig was. Bij de beoordeling of verkorte motivering is toegestaan, wordt ook getoetst of er Unierechtelijke vragen spelen. De Afdeling verwijst hiervoor naar het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243). Nu ook geen Unierechtelijke uitlegvragen aan de orde zijn, is verkorte afdoening gerechtvaardigd. Daarnaast heeft de Afdeling ambtshalve – zoals voorgeschreven bij bewaringszaken – de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring getoetst en geen grond gevonden om deze onrechtmatig te achten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak heeft een individueel karakter en stelt geen nieuwe rechtsnormen, waardoor de bredere juridische impact beperkt is.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 4 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen