JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:5049Laag12/100

Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard

ECLI:NL:RVS:2026:5049, Raad van State, 31-08-2026, BRS.26.001324

Raad van StateUitspraak: 31 augustus 2026Publicatie: 27 augustus 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.001324
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Hoger Beroep
Vreemdelingenbewaring
Verkorte Motivering
Artikel 91 Vw2000
Rechtmatigheid Bewaring

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Kern van de zaak

Een vreemdeling, bijgestaan door advocaat Jankie uit Hoofddorp, heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn bewaring. De vreemdeling betwistte de rechtmatigheid van de door de minister opgelegde bewaring.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank over en ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten; het hogerberoepschrift bevat geen rechtseenheidsvragen die nadere motivering vereisen.

12van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een standaard toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraak heeft geen precedentwerking buiten de individuele zaak.

Belangrijkste punten

  • 1De Afdeling past de verkorte motivering toe op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000, omdat geen vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming spelen
  • 2Ook zijn geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht aan de orde, conform het arrest Remling (HvJ EU 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243)
  • 3De Afdeling bevestigt ambtshalve dat er geen grond is om de bewaring onrechtmatig te achten
  • 4De rechtbank had de bewaring al rechtmatig geoordeeld; de Afdeling neemt die motivering integraal over
  • 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 in bewaringszaken zonder rechtseenheidsvragen. Het arrest Remling van het HvJ EU wordt daarbij expliciet betrokken als maatstaf voor de vraag of Unierechtelijke uitlegvragen spelen.

Praktische impact

Voor de vreemdeling betekent de uitspraak dat de bewaring ongewijzigd voortduurt en dat geen proceskostenvergoeding wordt toegekend. De uitkomst biedt geen verdere rechtsmiddelen in deze procedure.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken rondom bewaring wordt wederom bevestigd dat de verkorte motiveringsregel ruim toepassing vindt, wat de drempel voor inhoudelijke toetsing in hoger beroep hoog houdt.

Samenvatting

In deze zaak stond de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring centraal. De vreemdeling, vertegenwoordigd door advocaat Jankie uit Hoofddorp, had hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nadat de rechtbank de bewaring rechtmatig had geoordeeld. De minister had een nader stuk ingediend maar de Afdeling achtte verdere motivering niet vereist. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarbij paste zij de verkorte afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit is mogelijk wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling stelde vast dat daarvan in dit geval geen sprake was. Tevens zijn er geen vragen over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen, waarbij de Afdeling verwees naar het recente arrest Remling van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 als toetsingskader. Daarnaast heeft de Afdeling ambtshalve getoetst of er reden bestond de bewaring onrechtmatig te achten, maar ook dat leverde geen grond voor vernietiging op. De rechtbank had de bewaring op goede gronden rechtmatig geoordeeld, en de Afdeling nam die motivering volledig over. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is illustratief voor de beperkte toetsingsruimte in bewaringshoger beroepen: de verkorte motiveringsregel wordt consequent toegepast zodra geen principiële rechtsvragen spelen, wat in de praktijk de drempel voor een inhoudelijk oordeel in hoger beroep aanzienlijk verhoogt.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 2 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen