Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:5048, Raad van State, 31-08-2026, BRS.26.003638
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling, vertegenwoordigd door een advocaat, stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank die zijn bewaring rechtmatig achtte. Hij betwistte de rechtmatigheid van zijn vreemdelingenbewaring.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist, en ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure in een individuele bewaringszaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraak stelt geen nieuwe regels en heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1De Afdeling past de verkorte motiveringsregel van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe, omdat het hogerberoepschrift geen vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming bevat.
- 2Er zijn geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht, conform het arrest HvJEU 24 maart 2026 (Remling, ECLI:EU:C:2026:243).
- 3De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overwegingen 3 en 4) integraal over.
- 4Ambtshalve toetsing leidt evenmin tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is.
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden aan appellant.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte afdoeningsmogelijkheid ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en sluit aan bij het recente HvJEU-arrest Remling over de verplichting tot prejudiciële verwijzing bij vreemdelingenzaken.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent dit dat de bewaring als rechtmatig wordt aangemerkt en dat hij geen proceskostenvergoeding ontvangt; de bewaring kan worden voortgezet.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken waarbij bewaring aan de orde is, bevestigt deze uitspraak dat de Afdeling bij ontbreken van rechtseenheidsvragen snel en zonder uitgebreide motivering kan afdoen, wat de doorlooptijden beperkt.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank, waarbij die rechtbank de vreemdelingenbewaring rechtmatig had geoordeeld. De centrale vraag was of de bewaring terecht was opgelegd en of de rechtbank tot een juist oordeel was gekomen. De Afdeling beantwoordt deze vraag bevestigend en verklaart het hoger beroep ongegrond. Zij past daarbij de verkorte afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikellid maakt het mogelijk om uitspraken te bevestigen zonder uitgebreide nadere motivering, mits het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Aan die voorwaarde is hier voldaan: het hogerberoepschrift bevat dergelijke vragen niet. Daarnaast overweegt de Afdeling dat ook geen vragen aan de orde zijn over de uitleg of geldigheid van bepalingen van Unierecht. Zij verwijst daarvoor naar het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243), waaruit volgt wanneer een nationale rechter gehouden is tot prejudiciële verwijzing. Nu die situatie zich niet voordoet, bestaat geen verplichting daartoe. De motivering van de rechtbank in overwegingen 3 en 4 van de aangevallen uitspraak wordt integraal overgenomen. Tevens ziet de Afdeling ambtshalve geen gronden om de bewaring alsnog onrechtmatig te achten. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het gaat om een individuele, routinematige bewaringszaak zonder bredere precedentwerking.