Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:5044, Raad van State, 31-08-2026, BRS.26.002918
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij uitspraak van 12 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling, vertegenwoordigd door een advocaat, heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank die zijn vreemdelingenbewaring rechtmatig achtte. Hij betwistte de rechtmatigheid van zijn bewaring.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Afdeling overneemt de motivering van de rechtbank en ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten; het hogerberoepschrift bevat geen vragen die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsontwikkeling of principiële beslissing; de uitspraak heeft geen precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1De Afdeling past artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: verkorte afdoening omdat het hogerberoepschrift geen relevante rechtsvragen bevat.
- 2De motivering van de rechtbank onder overwegingen 5 en 7 wordt integraal overgenomen door de Afdeling.
- 3Er zijn geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht, conform het Remling-arrest (HvJ EU 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243).
- 4Ambtshalve toetsing leidt evenmin tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is.
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak is een routinematige toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000, de zogeheten 'kale bevestiging', en stelt geen nieuwe rechtsregels. Het bevestigt de bestaande praktijk van verkorte afdoening in vreemdelingenbewaringszaken.
Praktische impact
Voor appellant heeft de uitspraak tot gevolg dat de bewaring als rechtmatig wordt beoordeeld en er geen proceskosten worden toegekend. Er is geen verdere rechtsmiddelen-mogelijkheid op nationaal niveau.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenbewaringszaken blijft de drempel voor inhoudelijke behandeling in hoger beroep hoog; enkel zaken met bredere rechtsvragen of Unierechtelijke vraagstukken ontsnappen aan verkorte afdoening.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank, die zijn vreemdelingenbewaring rechtmatig had geoordeeld. De vreemdeling werd bijgestaan door een advocaat uit Hoofddorp. De centrale juridische vraag was of de vreemdelingenbewaring rechtmatig was en of de rechtbank op goede gronden tot dat oordeel was gekomen. De Afdeling beantwoordt die vraag bevestigend en verklaart het hoger beroep ongegrond. Daartoe past zij artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000 toe, op grond waarvan een nadere motivering achterwege kan blijven wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling stelt vast dat hiervan in dit geval geen sprake is. Tevens constateert zij dat er geen vragen spelen over de uitleg of geldigheid van Unierecht, zoals vereist volgens het recente Remling-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026. De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank – in het bijzonder de overwegingen 5 en 7 – integraal over en ziet ook ambtshalve geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken ten laste van de minister. Deze uitspraak is een klassiek voorbeeld van de zogeheten 'kale bevestiging' in vreemdelingenbewaringszaken en heeft geen zelfstandige precedentwerking. De praktische betekenis is beperkt tot de individuele zaak van appellant.