Vreemdeling krijgt schorsing uitzetting hangende hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:5041, Raad van State, 31-08-2026, BRS.26.003571
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 11 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en heeft tegelijkertijd de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening die uitzetting voorkomt en recht op opvang en verstrekkingen garandeert hangende de procedure.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter van de Raad van State heeft de voorlopige voorziening toegewezen: verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De doorslaggevende reden is het spoedeisend belang dat uit de aangevoerde gronden blijkt, conform vaste jurisprudentie (RvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele tussenbeslissing in een individuele vreemdelingenzaak op basis van bestaande en vaste jurisprudentie, zonder nieuwe rechtsontwikkeling of bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst totdat hoger beroep is beslist
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen is eveneens onderdeel van het verzoek
- 3Toepassing van vaste Afdelingsjurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457) als grondslag
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00
- 5Uitspraak betreft slechts een voorlopige maatregel; inhoudelijke beoordeling volgt in hoger beroep
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past gevestigde Afdelingsjurisprudentie toe inzake het treffen van voorlopige voorzieningen in vreemdelingenzaken en heeft als zodanig geen zelfstandige precedentwaarde, maar bevestigt de standaardlijn dat bij voldoende spoedeisend belang uitzetting wordt geschorst hangende hoger beroep.
Praktische impact
Verzoeker verblijft voorlopig in Nederland en kan niet worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt; de staat draagt de proceskosten van € 934,00.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken biedt dit type voorlopige voorziening betrokkenen een effectief rechtsmiddel om uitzetting te voorkomen in afwachting van een inhoudelijke rechterlijke beoordeling.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en tegelijkertijd de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht om een voorlopige voorziening. Het verzoek strekte ertoe dat verzoeker niet zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, en dat hij recht zou krijgen op opvang en verstrekkingen gedurende die periode. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om de voorlopige voorziening toegewezen. Op basis van wat door verzoeker is aangevoerd en onder verwijzing naar de vaste lijn in de Afdelingsjurisprudentie — met name de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457) — is geoordeeld dat er voldoende aanleiding bestaat om de gevraagde maatregel te treffen. De uitspraak bepaalt dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat de Afdeling in de bodemprocedure op het hoger beroep heeft beslist. Daarnaast is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld in de proceskosten, vastgesteld op € 934,00, volledig toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde. Deze uitspraak heeft een puur procedureel karakter: zij schort de feitelijke uitzetting op in afwachting van een inhoudelijke beoordeling en schept geen nieuwe rechtsregels. De juridische grondslag is gevestigd en de uitkomst is in lijn met de standaardpraktijk bij soortgelijke verzoeken in vreemdelingenzaken. De inhoudelijke vraag of het bestreden besluit van de minister rechtmatig is, staat nog open en zal in de hoger beroepsprocedure worden beantwoord.