Vreemdeling krijgt schorsing uitzetting hangende hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:5036, Raad van State, 28-08-2026, BRS.26.004109
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 7 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld en tegelijk de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening: geen uitzetting voordat op het hoger beroep is beslist, plus recht op opvang en verstrekkingen.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige voorlopige voorzieningsbeslissing op basis van vaste jurisprudentie, zonder nieuwe rechtsvraag of richtinggevend oordeel.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst hangende hoger beroep
- 2Grondslag: vaste jurisprudentie RvS van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 3Verzoek omvatte tevens recht op opvang en verstrekkingen
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00
- 5Uitspraak is een voorlopige maatregel; definitief oordeel volgt in hoger beroep
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de vaste RvS-lijn toe dat bij tijdig ingediend hoger beroep een schorsing van uitzetting kan worden getroffen; de uitspraak schept geen nieuw recht maar bevestigt de bestaande praktijk.
Praktische impact
De vreemdeling is voorlopig beschermd tegen uitzetting en heeft mogelijk recht op opvang en verstrekkingen totdat de Afdeling definitief over het hoger beroep heeft beslist.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken biedt deze uitkomst een tijdelijke bescherming die regelmatig wordt toegepast; de uitspraak heeft weinig zelfstandig precedentwerking naast de al geldende standaardlijn.
Samenvatting
Een vreemdeling had bezwaar of beroep lopen in een verblijfsrechtelijke procedure en stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegelijk verzocht hij de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen: hij wilde niet worden uitgezet zolang zijn hoger beroep nog niet was beslist, en hij verzocht tevens om opvang en verstrekkingen gedurende die periode. De centrale rechtsvraag was of er voldoende grond bestond om de uitzetting te schorsen in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Onder verwijzing naar de vaste uitspraaklijn van de Afdeling van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457) bepaalt hij bij voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan professioneel verleende rechtsbijstand. De uitspraak is een procedurele tussenstap: zij beslist uitsluitend over de schorsing en laat het inhoudelijke oordeel over de rechtmatigheid van de verblijfsrechtelijke beslissing uitdrukkelijk aan de Afdeling in de hoger beroepsprocedure. De praktische betekenis is dat de vreemdeling voorlopig beschermd is tegen gedwongen vertrek. Juridisch gezien voegt de uitspraak weinig toe aan bestaand recht; zij past een gevestigde lijn toe en heeft daardoor een beperkte precedentwerking. De impactscore is dienovereenkomstig laag.