Asielaanvraag biseksuele appellant ongegrond verklaard door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:5034, Raad van State, 28-08-2026, BRS.26.003142
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 4 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een appellant stelde asiel aan te vragen op basis van zijn gestelde biseksuele geaardheid. De minister achtte zijn verklaringen hierover niet geloofwaardig. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Doorslaggevend is dat de verklaringen van appellant over zijn gestelde biseksuele geaardheid geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, en dat een indringendere rechterlijke toets niet tot een andere uitkomst zou leiden.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een individuele ongegrondverklaring met verkorte motivering ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en stelt geen nieuwe rechtsregels. De principiële vraag over toetsingsintensiteit wordt uitdrukkelijk niet beantwoord, wat de precedentwaarde sterk beperkt.
Belangrijkste punten
- 1De verklaringen van appellant over zijn biseksuele geaardheid werden door de minister – en bevestigd door de rechtbank – als niet geloofwaardig beoordeeld.
- 2De Afdeling oordeelt dat een indringendere toets of eigen oordeel van de rechtbank over de geloofwaardigheid het resultaat niet zou wijzigen.
- 3De principiële rechtsvraag over de indringendheid van rechterlijke toetsing van geloofwaardigheid in asielzaken hoeft niet te worden beantwoord nu deze niet nodig is voor de beslissing.
- 4Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie worden niet gesteld, mede gelet op de Cilfit-doctrine en het Remling-arrest van 24 maart 2026.
- 5Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (verkorte motivering) is gerechtvaardigd nu het hogerberoepschrift geen vragen bevat die rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin vereisen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak laat de principiële vraag over de intensiteit van rechterlijke toetsing van geloofwaardigheid in asielzaken onbeantwoord, wat betekent dat dit debat in toekomstige zaken opnieuw kan worden gevoerd. De verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 bevestigt de bestaande praktijk.
Praktische impact
Voor appellant heeft de uitspraak tot gevolg dat zijn asielaanvraag definitief is afgewezen en hij geen verblijfsrecht op grond van zijn gestelde seksuele geaardheid kan verkrijgen. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken ten laste van de minister.
Onderwerp-impact
Voor asielzoekers die een beroep doen op LHBTI-geaardheid als asielmotief blijft de drempel van geloofwaardige en samenhangende verklaringen onverminderd van kracht, zonder dat nadere Europese prejudiciële duiding is gevraagd.
Samenvatting
In deze zaak stelde een appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen de uitspraak van de rechtbank, die het besluit van de minister tot afwijzing van zijn asielaanvraag had bevestigd. De grondslag van het asielrelaas was de gestelde biseksuele geaardheid van appellant. De minister had geoordeeld dat de verklaringen van appellant hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, en de rechtbank schaarde zich achter dit oordeel. In hoger beroep wierp appellant de principiële vraag op of de rechter in asielzaken een indringendere toets moet uitvoeren – dan wel een eigen oordeel moet vormen – ten aanzien van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. De Afdeling laat deze rechtsvraag onbeantwoord. Zij overweegt dat zelfs bij een indringendere toets of een zelfstandig oordeel over de geloofwaardigheid de uitkomst in deze specifieke zaak niet anders zou zijn. Omdat beantwoording van de rechtsvraag dus niet noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil, bestaat er evenmin aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, zoals voortvloeit uit de Cilfit-doctrine en het recentere Remling-arrest van 24 maart 2026. De Afdeling past artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000 toe en volstaat met een verkorte motivering, nu het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak heeft daarmee geen richtinggevend karakter en laat het debat over toetsingsintensiteit in asielzaken voor een volgende gelegenheid open.