Hoger beroep vreemdeling ongegrond wegens eerder beantwoorde rechtsvragen
ECLI:NL:RVS:2026:5033, Raad van State, 28-08-2026, BRS.26.000325
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 11 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak. De zaak betrof onder meer de vraag of sprake was van een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en de evenredigheid van een SIS-signalering inzake terugkeer.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. Doorslaggevend was dat het hogerberoepschrift geen vragen bevatte die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moesten worden, nu de relevante rechtsvragen reeds waren beantwoord in een eerdere uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2026.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een standaard verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder inhoudelijke beoordeling van nieuwe rechtsvragen; alle relevante kwesties waren al in eerdere jurisprudentie beslist.
Belangrijkste punten
- 1Afdeling past artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: verkorte afdoening zonder nadere motivering omdat geen rechtseenheid- of rechtsontwikkelingsvragen spelen
- 2Relevante rechtsvragen over artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en evenredigheidsbeginsel bij SIS-signalering waren al beantwoord in RvS 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4177
- 3Geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen dan in de eerdere uitspraak
- 4Geen Unierechtelijke uitleg- of geldigheidsvragen conform HvJ 24 maart 2026, Remling (ECLI:EU:C:2026:243, punt 24)
- 5Minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en sluit aan bij de al gevormde jurisprudentielijn over artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en SIS-signaleringen. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld.
Praktische impact
Voor de appellant betekent dit dat het verblijf in Nederland niet wordt gelegaliseerd en de terugkeerbeslissing of SIS-signalering in stand blijft. De minister wordt niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken met betrekking tot terugkeer en SIS-signaleringen biedt deze uitspraak geen nieuwe aanknopingspunten; rechtzoekenden worden verwezen naar de al gevormde jurisprudentie van juli 2026.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2026 betreft een hoger beroepsprocedure in een vreemdelingenzaak. De appellant, bijgestaan door een advocaat, had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank. De kern van de zaak draaide om de vraag of sprake was van een 'andere toestemming tot verblijf' in Portugal in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, en om de evenredigheid van een SIS-signalering inzake terugkeer. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 behoeft dit oordeel geen verdere motivering, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Doorslaggevend daarbij is dat de relevante rechtsvragen over artikel 6 lid 2 van de Terugkeerrichtlijn en het evenredigheidsbeginsel in relatie tot SIS-signaleringen reeds zijn beantwoord in een uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4177). Het hogerberoepschrift geeft geen aanleiding om in dit geval tot een ander oordeel te komen. Daarnaast worden geen vragen gesteld over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen, conform de maatstaf uit het arrest Remling van het Hof van Justitie van 24 maart 2026. De uitspraak heeft een beperkte juridische impact: zij bevestigt bestaande jurisprudentie en past een standaard procedurele bepaling toe zonder nieuwe rechtsontwikkeling. Voor de appellant heeft de uitspraak echter concrete gevolgen, nu de terugkeerbeslissing of SIS-signalering in stand blijft. Proceskosten worden niet vergoed aan de minister.