Schorsing last onder dwangsom vleeskalverenhouderij Alphen-Chaam
ECLI:NL:RVS:2026:5030, Raad van State, 28-08-2026, 202602159/2/R1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 5 november 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam Sprangka gelast om te voldoen aan zes lasten onder aanzegging van dwangsommen op haar perceel aan de Baarlesebaan 3 in Alphen, gemeente Alphen-Chaam. Sprangka verricht agrarische activiteiten op het perceel Baarlesebaan 3 in Alphen. Het college heeft aan haar op 6 februari 2018 een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het bouwen van gebouwen en de oprichting van een vleeskalverenhouderij. Het college heeft aan Sprangka op 4 december 2023 een voornemen tot handhaving gestuurd. Op 9 oktober 2024 heeft een toezichthouder volgens het college geconstateerd dat eerder geconstateerde overtredingen niet zijn beëindigd. Het college heeft bij het besluit op bezwaar het besluit van 5 november 2024 met een gewijzigde motivering in stand gelaten en de last over het in goede staat houden van het buitenterrein verduidelijkt. Sprangka is het niet eens met het besluit op bezwaar en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Kern van de zaak
Sprangka exploiteert een vleeskalverenhouderij in Alphen waarvoor zij in 2018 een omgevingsvergunning kreeg. Het college van B&W Alphen-Chaam legde in november 2024 zes lasten onder dwangsom op wegens voortdurende overtredingen. Sprangka verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om schorsing van deze handhavingsbesluiten.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd voor zover het verzoek betrekking heeft op lasten 1 tot en met 5 in het besluit op bezwaar, en schorst het besluit op bezwaar van 27 mei 2026 en het onderliggende besluit van 5 november 2024 (zoals gewijzigd op 18 december 2025) voor zover het gaat om de resterende opgelegde last onder dwangsom. De schorsing wordt getroffen als voorlopige voorziening in afwachting van de bodemprocedure.
Impactscore
LaagHet betreft een voorlopige voorzieningsprocedure zonder bindend oordeel in de bodemprocedure, met beperkte reikwijdte tot één specifiek bedrijf en één geschorste last; de rechtsvragen zijn niet principieel nieuw.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van het overgangsrecht Omgevingswet blijft het recht van vóór 1 januari 2024 van toepassing, omdat de artikel 4:8 Awb-procedure al vóór die datum was gestart.
- 2De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd ten aanzien van lasten 1 tot en met 5, vermoedelijk omdat beroep bij de rechtbank nog openstaat of al aanhangig is.
- 3Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft uitdrukkelijk een voorlopig karakter en bindt de bodemrechter niet.
- 4Het college wijzigde gedurende de procedure de handhavingsbesluiten, onder meer door nieuwe begunstigingstermijnen en aanpassing van de last over bodemverontreiniging.
- 5De voorzieningenrechter schorst uitsluitend de resterende last onder dwangsom (last 6), wat duidt op een voorlopig oordeel dat die last in de bodemprocedure mogelijk geen stand houdt.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepasselijkheid van het overgangsrecht Invoeringswet Omgevingswet bij lopende handhavingsprocedures en verduidelijkt de bevoegdheidsverdeling tussen voorzieningenrechter en bodemrechter bij gesplitste bezwaarbesluiten.
Praktische impact
Sprangka hoeft voorlopig niet te voldoen aan de geschorste last onder dwangsom en loopt geen dwangsomrisico zolang de schorsing van kracht is; de overige vijf lasten blijven echter onverminderd van kracht.
Onderwerp-impact
Voor agrarische bedrijven die te maken hebben met handhaving onder het omgevingsrecht biedt deze uitspraak inzicht in de mogelijkheid van schorsing bij complexe, meervoudige lasten onder dwangsom en het belang van tijdig een voorlopige voorziening aan te vragen.
Samenvatting
Sprangka exploiteert een vleeskalverenhouderij aan de Baarlesebaan 3 in Alphen, waarvoor het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam in 2018 een omgevingsvergunning verleende op grond van de Wabo. Naar aanleiding van voortdurende overtredingen legde het college op 5 november 2024 zes lasten onder dwangsom op. Na een bezwaarprocedure bleef dit besluit in stand bij besluit op bezwaar van 27 mei 2026, zij het met een gewijzigde motivering. Sprangka verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om schorsing van de handhavingsbesluiten. Een eerste procedurele kwestie betreft het overgangsrecht: omdat het college vóór 1 januari 2024 al een zienswijzegelegenheid had geboden op grond van artikel 4:8 Awb, blijft het oude recht van toepassing op grond van artikel 4.5 van de Invoeringswet Omgevingswet. De Omgevingswet zelf is dus niet van toepassing op deze procedure. Wat de bevoegdheid betreft, verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd voor zover het verzoek betrekking heeft op het besluit op bezwaar inzake lasten 1 tot en met 5. Ten aanzien van de resterende last onder dwangsom (last 6) treft de voorzieningenrechter wél een voorlopige voorziening en schorst het besluit op bezwaar alsmede het onderliggende primaire besluit voor dat onderdeel. De uitspraak benadrukt dat dit oordeel een voorlopig karakter heeft en de bodemrechter niet bindt. Voor Sprangka betekent de schorsing dat zij voorlopig geen dwangsom verbeurt ter zake van de geschorste last, terwijl de overige vijf lasten onverminderd van kracht blijven. De uitkomst is relevant voor de praktijk van handhaving in het agrarisch omgevingsrecht, met name voor de toepassing van overgangsrecht en de bevoegdheidsverdeling bij samengestelde handhavingsbesluiten.