Woo-verzoek schouwrapport Bezembinderssloot afgewezen wegens ontbreken document
ECLI:NL:RVS:2026:4999, Raad van State, 26-08-2026, 202503631/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 12 januari 2024 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden het verzoek van [appellant] en anderen op grond van de Wet open overheid (Woo) ingewilligd. [appellant] en anderen hebben bij het college een verzoek gedaan op grond van de Woo. Het verzoek ziet op een schouwrapport van 2023 ten aanzien van de Bezembinderssloot in Bunnik. In het verzoek staat ook dat als er geen schouw is uitgevoerd, er wordt verzocht om toezending van de laatste schouw ten aanzien van deze sloot. Het college heeft geen schouwrapport overgelegd. Dit rapport bestaat volgens het college niet omdat een schouw alleen wordt gedaan bij watervoerende sloten en Bezembinderssloot geen watervoerende sloot is. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Het besluit van 12 januari 2024 was onzorgvuldig genomen omdat daarbij niet de informatie openbaar gemaakt was waar [appellant] en anderen om hadden verzocht. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten, omdat zij het aannemelijk acht dat het gevraagde schouwrapport niet onder het college berust. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het aannemelijk is dat het schouwrapport niet (meer) onder het college berust.
Kern van de zaak
Appellant en anderen verzochten via de Wet open overheid (Woo) om een schouwrapport uit 2023 van de Bezembinderssloot in Bunnik. Het college stelde dat dit rapport niet bestaat omdat de sloot niet watervoerend is en er daarom geen schouw is uitgevoerd. Appellanten betwistten dit en wilden ook zoektocht in fysieke pre-digitale archieven.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank: de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar blijven in stand, omdat het aannemelijk is dat het gevraagde schouwrapport niet onder het college berust. De overgelegde brieven uit 2000 en een gespreksnotitie maken niet aannemelijk dat er een schouwrapport uit 2023 bestaat.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen vaste jurisprudentie over de bewijslastverdeling bij Woo-verzoeken en stelt geen nieuwe rechtsregels. De zaak is casuïstisch van aard en heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke context.
Belangrijkste punten
- 1Woo-verzoek gericht op schouwrapport 2023 van de Bezembinderssloot; college stelt dat dit document niet bestaat.
- 2Rechtbank vernietigde het besluit op bezwaar wegens onzorgvuldigheid, maar liet rechtsgevolgen in stand.
- 3Bewijslast ligt bij de verzoeker: als een bestuursorgaan geloofwaardig stelt dat documenten niet bestaan, moet de verzoeker aannemelijk maken dat ze er wel zijn.
- 4Appellanten slaagden er niet in met brieven uit 2000 aannemelijk te maken dat er een schouwrapport uit 2023 bestaat.
- 5De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en gaat niet mee in het verzoek om ook fysieke pre-digitale archieven te doorzoeken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste bewijslastverdeling bij Woo-verzoeken: zodra een bestuursorgaan geloofwaardig stelt dat een document niet bestaat of niet berust onder het orgaan, verschuift de bewijslast naar de verzoeker. Dit biedt duidelijkheid over de grenzen van de zoekplicht bij Woo-verzoeken.
Praktische impact
Appellanten krijgen geen toegang tot het gevraagde schouwrapport en het college hoeft de fysieke archieven van vóór 2015 niet te doorzoeken. Burgers die om documenten verzoeken, dienen concrete en relevante aanwijzingen te overleggen dat een document daadwerkelijk bestaat.
Onderwerp-impact
Voor overheidsinstanties bevestigt deze uitspraak dat zij niet gehouden zijn uitgebreide archiefonderzoeken te verrichten op basis van veronderstellingen of documenten uit een ver verleden die geen directe relatie hebben met het gevraagde stuk.
Samenvatting
In deze zaak verzochten appellant en anderen het college van burgemeester en wethouders op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van een schouwrapport uit 2023 van de Bezembinderssloot in Bunnik. Subsidiair verzochten zij om het meest recente schouwrapport van deze sloot. Het college stelde dat een dergelijk rapport niet bestaat, omdat een schouw uitsluitend wordt uitgevoerd bij watervoerende sloten en de Bezembinderssloot dat niet is. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens onzorgvuldigheid in de besluitvorming, vernietigde het besluit op bezwaar, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat zij het aannemelijk achtte dat het gevraagde document niet onder het college berustte. In hoger beroep betoogden appellanten dat de rechtbank dit ten onrechte had geoordeeld. Zij legden brieven uit mei en december 2000 en een gespreksnotitie over, waaruit zou blijken dat de Bezembinderssloot destijds wél was geschouwd. Op grond daarvan stelden zij dat er een schouwrapport moet bestaan en dat het college ook de fysieke archieven van vóór de digitalisering in 2015 diende te doorzoeken. De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Afdeling herhaalt de vaste rechtsregel dat wanneer een bestuursorgaan geloofwaardig stelt dat er geen (meer) documenten zijn, de bewijslast verschuift naar de verzoeker. Die dient dan aannemelijk te maken dat de gevraagde documenten er toch zijn. De overgelegde brieven uit het jaar 2000 en de gespreksnotitie slagen daar niet in: zij tonen hooguit aan dat er in het verleden een schouw heeft plaatsgevonden, maar maken niet aannemelijk dat er een schouwrapport uit 2023 bestaat. De hoger beroepsgrond faalt daarmee. Het college hoeft de fysieke pre-digitale archieven niet te doorzoeken. De uitspraak past binnen bestaande Woo-jurisprudentie en heeft beperkte zelfstandige precedentwerking.