Geen compensatie kinderopvangtoeslag bij opvang zonder gastouderbureau
ECLI:NL:RVS:2026:4998, Raad van State, 26-08-2026, 202500552/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluiten van 4 maart 2022 heeft de Dienst Toeslagen, in het kader van de hersteloperatie toeslagen, aan [appellante] compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2008 en 2009 en dat geweigerd voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2013. [appellante] heeft voor de jaren 2008 tot en met 2013 (voorschotten) kinderopvangtoeslag ontvangen, die zij later moest terugbetalen. Op 13 november 2019 heeft zij een verzoek gedaan voor een zogenoemde herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag voor die jaren. Naar aanleiding daarvan heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat sprake was van institutionele vooringenomenheid bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag voor die jaren. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bedrag aan compensatie voor de toeslagjaren 2008 en 2009 te laag is, omdat de rentevergoeding over de gemiste kinderopvangtoeslag voor die jaren op onjuiste wijze is berekend.
Kern van de zaak
Een gedupeerde ouder vocht bij de Raad van State aan dat zij onvoldoende compensatie ontving in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire. Voor de jaren 2008-2009 kreeg zij compensatie, maar voor 2010-2013 niet, omdat de Dienst Toeslagen stelde dat zij evident geen recht had op toeslag: de opvang werd verzorgd door haar eigen zoon zonder tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van appellante wordt inhoudelijk besproken, maar de gronden over de toeslagjaren 2008-2009 zijn een herhaling van wat al in beroep werd aangevoerd, zonder nieuwe argumenten. De Dienst Toeslagen handhaaft zijn standpunt dat voor de jaren 2010-2013 geen compensatie verschuldigd is omdat appellante evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. De uitspraak is op basis van de beschikbare tekst onvolledig, waardoor de definitieve uitkomst niet volledig kan worden vastgesteld.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande rechtspraak over de herstelregeling kinderopvangtoeslag en stelt geen nieuwe rechtsnormen. De zaak is feitelijk van aard en de uitkomst is in lijn met eerdere beslissingen over de 'evident geen recht'-grond.
Belangrijkste punten
- 1Appellante ontving kinderopvangtoeslag voor 2008-2013 en moest deze terugbetalen; zij vroeg herbeoordeling in het kader van de toeslagenaffaire.
- 2Voor 2008-2009 werd compensatie toegekend (uiteindelijk € 46.403,00 inclusief rentevergoeding); voor 2010-2013 werd compensatie geweigerd.
- 3De weigeringsgrond voor 2010-2013 is dat de opvang werd verzorgd door de eigen zoon van appellante zonder bemiddeling van een geregistreerd gastouderbureau, wat geen recht geeft op kinderopvangtoeslag.
- 4De hogerberoepsgronden over 2008-2009 zijn inhoudelijk een herhaling van de beroepsgronden, zonder nieuwe juridische of feitelijke aanvullingen.
- 5De Commissie van Wijzen had reeds geadviseerd geen compensatie toe te kennen voor 2010-2013, welk advies de Dienst Toeslagen heeft gevolgd.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de 'evident geen recht'-uitzondering binnen de herstelregelingen kinderopvangtoeslag ook van toepassing blijft wanneer opvang plaatsvond buiten een geregistreerd gastouderbureau. Herhaling van beroepsgronden in hoger beroep leidt niet tot een heroverweging.
Praktische impact
Gedupeerde ouders die in de toeslagenaffaire geen compensatie ontvangen omdat zij evident geen recht hadden op toeslag, kunnen door enkel herhaling van argumenten hun zaak in hoger beroep niet succesvol omdraaien. Informele opvangsituaties buiten geregistreerde bureaus blijven een struikelblok voor compensatie.
Onderwerp-impact
Binnen de aanhoudende afwikkeling van de kinderopvangtoeslagaffaire benadrukt deze zaak dat herstelregelingen grenzen kennen bij evident misbruik of onterechte aanvragen, ook als er sprake was van institutionele vooringenomenheid.
Samenvatting
Deze zaak betreft een gedupeerde ouder die in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire een herbeoordeling aanvroeg voor de jaren 2008 tot en met 2013. De Dienst Toeslagen erkende institutionele vooringenomenheid maar weigerde compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2013. De reden daarvoor was dat appellante in die jaren evident geen recht had op kinderopvangtoeslag: haar jongste kind werd opgevangen door haar eigen zoon, zonder tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau. Dit is een harde voorwaarde voor het recht op kinderopvangtoeslag. Voor de jaren 2008 en 2009 werd wel compensatie toegekend, uiteindelijk vastgesteld op € 46.403,00 inclusief een rentevergoeding. In hoger beroep bij de Raad van State betwistte appellante zowel de hoogte van de compensatie voor 2008-2009 als de weigering voor 2010-2013. Ten aanzien van de jaren 2008-2009 stelde zij dat de rentevergoeding onjuist was berekend, maar de Raad van State stelde vast dat de hogerberoepsgronden op dit punt een herhaling vormen van hetgeen reeds in beroep was aangevoerd, zonder nieuwe argumenten of onderbouwing. De centrale juridische vraag is of de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie heeft verleend voor de periode 2010-2013 op grond van de 'evident geen recht'-uitzondering, en of de compensatieberekening voor 2008-2009 correct is. Op basis van de beschikbare tekst kan de definitieve uitkomst van het hoger beroep niet volledig worden vastgesteld, maar de toon van de overwegingen wijst erop dat de Raad van State de stellingen van appellante niet honoreert. De zaak illustreert de grenzen van de herstelregelingen in de toeslagenaffaire.