Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1592, Hoge Raad, 02-10-2026, 26/01026
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van Rechtbank Noord-Holland. Het griffierecht werd niet betaald, ondanks aanmaning. Belanghebbende betoogde dat voorafgaande griffierechtbetaling in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Het argument dat het griffierecht pas achteraf bij ongegrond beroep geheven zou moeten worden, levert geen grond op voor verschoning van het verzuim; de Hoge Raad ziet evenmin aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een procedurekwestie (niet-betaling griffierecht) en bevestigt enkel bestaande jurisprudentie uit juni 2026; er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld en het arrest heeft een beperkte reikwijdte.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht niet betaald na aanmaning per aangetekende brief, waarna niet-ontvankelijkheid volgde op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb.
- 2Belanghebbende betoogde dat verplichte voorafgaande betaling van griffierecht strijdig is met artikel 47 jo. 52 EU-Handvest (recht op effectieve rechterlijke bescherming).
- 3De Hoge Raad verwijst naar zijn eerdere arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) en ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen.
- 4Het voorstel van belanghebbende om griffierecht pas achteraf bij ongegrond beroep te heffen, wordt als grondslag voor verschoning verworpen.
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt zijn lijn dat de verplichting griffierecht vooraf te betalen niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en dat hierover geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld hoeven te worden. Dit versterkt de bestaande jurisprudentie over de griffierechtregeling in het bestuursrechtelijk cassatieprocesrecht.
Praktische impact
Belanghebbenden in cassatieprocedures dienen het griffierecht tijdig en vooraf te voldoen; het niet betalen leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid, ook als zij Europeesrechtelijke bezwaren aanvoeren tegen het stelsel.
Onderwerp-impact
Voor geschillen waarbij partijen de rechtmatigheid van griffierechtstelsels aanvechten via EU-Handvest-argumenten biedt deze uitspraak weinig ruimte; de Hoge Raad sluit aan bij zijn eigen eerdere lijn en acht geen EU-rechtelijke twijfel aanwezig.
Samenvatting
In deze zaak stelde een belastingplichtige cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Noord-Holland van 19 februari 2026. De griffier stuurde een aangetekende brief met het verzoek griffierecht te voldoen binnen vier weken. Ondanks bewijs van aflevering via Track & Trace bleef betaling uit. Na een herstelmogelijkheid reageerde belanghebbende met het verweer dat de verplichting om griffierecht vooraf te betalen – op straffe van niet-ontvankelijkheid – in strijd is met het recht op effectieve rechterlijke bescherming als neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52. Belanghebbende bepleitte een stelsel waarbij griffierecht pas achteraf wordt geheven, en uitsluitend bij een ongegrond beroep, als een evenrediger alternatief. Tevens verzocht belanghebbende de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU over deze kwestie. De Hoge Raad wijst dit verweer af en verwijst uitdrukkelijk naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin hij reeds uitvoerig heeft gemotiveerd waarom het Nederlandse griffierechtenstelsel niet in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest en waarom geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen. Het argument van belanghebbende levert geen grond op voor het oordeel dat het verzuim verschoonbaar is. Omdat het griffierecht niet tijdig is betaald, wordt het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Een proceskostenveroordeling blijft achterwege. De uitspraak illustreert dat de Hoge Raad zijn lijn stevig vasthoudt: het griffierechtenstelsel is EU-rechtelijk houdbaar en nationale rechters zijn niet verplicht hierover prejudicieel te verwijzen.