Hoge Raad vernietigt zorgmachtiging wegens niet horen mentor
ECLI:NL:HR:2026:1585, Hoge Raad, 02-10-2026, 25/04754
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Wvggz. Aansluitende zorgmachtiging. Art. 6:1 Wvggz. Had rechtbank moeten onderzoeken of betrokkene een mentor had?
Kern van de zaak
Een rechtbank verleende een zorgmachtiging voor twaalf maanden aan een wilsonbekwame betrokkene. In het zorgplan werd melding gemaakt van een mentorschap, maar de mentor werd niet gehoord. De zaak bereikte de Hoge Raad via cassatie.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank. De doorslaggevende reden is dat de rechtbank had moeten onderzoeken of betrokkene een vertegenwoordiger (mentor) had en deze op grond van art. 6:1 lid 1 Wvggz in de gelegenheid had moeten stellen zijn zienswijze mondeling kenbaar te maken.
Impactscore
HoogDe uitspraak komt van de Hoge Raad en stelt een duidelijke gedragsregel voor rechters bij zorgmachtigingen onder de Wvggz, met directe gevolgen voor de bescherming van wilsonbekwame personen; de regel is echter een bevestiging van bestaand wettelijk kader en niet geheel nieuw.
Belangrijkste punten
- 1Art. 6:1 lid 1 Wvggz verplicht de rechter om de vertegenwoordiger van een wilsonbekwame betrokkene in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze mondeling kenbaar te maken.
- 2Het zorgplan vermeldde een mentorschap; dit had de rechtbank moeten nopen tot onderzoek naar het bestaan van een vertegenwoordiger.
- 3Art. 5:17 lid 6 Wvggz verplicht de officier van justitie om bij een verzoekschrift voor een zorgmachtiging een afschrift van de mentorschapsbeschikking te voegen; dit ontbrak.
- 4Omdat uit de stukken niet bleek dat de mentor was gehoord, moet in cassatie worden aangenomen dat dit niet is gebeurd.
- 5De overige cassatieklachten behoefden geen behandeling na het slagen van de hoorplichtklacht.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en verduidelijkt dat de oproep-, hoor- en onderzoeksplicht van art. 6:1 Wvggz actief door de rechter moet worden nageleefd zodra er aanwijzingen zijn voor een vertegenwoordiger. Rechters mogen niet volstaan met wat door de officier van justitie wordt aangeleverd, maar moeten zelfstandig de aanwezigheid van een mentor of andere vertegenwoordiger onderzoeken.
Praktische impact
Rechtbanken die zorgmachtigingen behandelen, zijn gehouden om bij iedere aanwijzing van een mentorschap of vertegenwoordiging actief te verifiëren of er een mentor is benoemd en deze te horen. Officieren van justitie dienen de vereiste stukken over mentorschap steeds bij het verzoekschrift te voegen.
Onderwerp-impact
In de zorgpraktijk leidt deze uitspraak tot een strengere processuele check bij verzoeken om gedwongen zorg; instellingen en behandelaren moeten erop toezien dat informatie over vertegenwoordiging tijdig en volledig wordt aangeleverd aan de officier van justitie.
Samenvatting
In deze zaak had een rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden aan een wilsonbekwame betrokkene, zonder dat de mentor van betrokkene in de gelegenheid was gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Centraal stond de vraag of de rechtbank hiermee haar oproep-, hoor- en onderzoeksplicht uit art. 6:1 Wvggz had geschonden. Uit het zorgplan dat bij het verzoekschrift was gevoegd, bleek dat er een mentorschap was ingesteld bij beschikking van 17 juli 2025. De stukken omtrent dat mentorschap ontbraken echter bij het verzoekschrift, hetgeen in strijd is met art. 5:17 lid 6 Wvggz, dat de officier van justitie verplicht dergelijke beschikkingen mee te sturen. De Hoge Raad oordeelt dat de verwijzing naar het mentorschap in het zorgplan de rechtbank had moeten aanzetten tot nader onderzoek naar de vraag of betrokkene een vertegenwoordiger had. Op grond van art. 1:3 lid 3 Wvggz treedt een mentor op als vertegenwoordiger van een wilsonbekwame betrokkene. Krachtens art. 6:1 lid 1 Wvggz is de rechter verplicht die vertegenwoordiger in staat te stellen zijn zienswijze mondeling kenbaar te maken. Nu uit de stukken niet blijkt dat dit is gebeurd, moet in cassatie worden aangenomen dat de rechtbank dit heeft nagelaten. De Hoge Raad vernietigt de beschikking. De uitspraak maakt duidelijk dat de hoorplicht ten aanzien van de vertegenwoordiger van een wilsonbekwame betrokkene een actieve onderzoeksverplichting voor de rechter meebrengt: zodra er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van een mentor of andere vertegenwoordiger, moet de rechter dit ambtshalve verifiëren en de vertegenwoordiger oproepen. Dit versterkt de rechtsbescherming van wilsonbekwame personen in gedwongen-zorgprocedures aanzienlijk.