Raad van State bevestigt geloofwaardigheidsbeoordeling asielzoeker
ECLI:NL:RVS:2026:4981, Raad van State, 28-08-2026, BRS.25.001745
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 17 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een asielzoeker stelde hoger beroep in tegen de afwijzing van zijn asielverzoek. Hij betoogde dat de rechtbank onvoldoende had beoordeeld of het toetsingskader voor geloofwaardigheid in overeenstemming was met het Unierecht. De minister had alle relevante verklaringen en omstandigheden betrokken bij de beoordeling.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat appellant de inhoudelijke beoordeling niet betwistte en dat beantwoording van de opgeworpen Unierechtelijke vraag niet noodzakelijk was voor de beslechting van het geschil.
Impactscore
LaagHet betreft een enkelvoudige kamerafdoening met verkorte motivering op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000, zonder nieuwe rechtsregels. De uitkomst is casuïstisch en bevestigt bestaande jurisprudentie over de Cilfit-criteria.
Belangrijkste punten
- 1De eerste grief berustte op een onjuiste lezing van de rechtbankuitspraak: de rechtbank had wél inhoudelijk geoordeeld dat de minister alle relevante verklaringen en omstandigheden had betrokken.
- 2Appellant betwistte de inhoudelijke beoordeling van de geloofwaardigheid niet, waardoor de opgeworpen Unierechtelijke vraag niet beslissend was voor de zaak.
- 3De Afdeling paste de Cilfit-doctrine toe (HvJ 1982, 2021, 2026): geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen als de gestelde vraag niet noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil.
- 4De verkorte motivering op grond van artikel 91, tweede lid, Vw 2000 werd toegepast, nu het hogerberoepschrift geen rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsvragen bevatte.
- 5Geen proceskostenveroordeling voor de minister.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de Cilfit-criteria bij de beslissing om geen prejudiciële vragen te stellen in vreemdelingenzaken, en herhaalt dat een inhoudelijk niet-betwiste beoordeling de grondslag voor hoger beroep wegneemt. De verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 blijft een gangbaar instrument bij de Raad van State.
Praktische impact
Voor de appellant heeft de bevestiging van de rechtbankuitspraak tot gevolg dat de afwijzing van het asielverzoek in stand blijft. Asielzoekers die in hoger beroep Unierechtelijke vragen opwerpen, dienen ook de onderliggende inhoudelijke beoordeling te betwisten, anders heeft de opgeworpen vraag geen praktisch belang.
Onderwerp-impact
In asielprocedures benadrukt deze uitspraak dat prejudiciële vragen over het Unierechtelijke toetsingskader voor geloofwaardigheidsbeoordeling alleen relevant zijn als de feiten daar daadwerkelijk aanleiding toe geven; abstracte rechtsvragen zonder processueel belang worden niet doorverwezen naar het HvJ EU.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een hoger beroep van een asielzoeker die opkwam tegen de bevestiging van de afwijzing van zijn asielverzoek door de rechtbank. De asielzoeker stelde in hoger beroep dat de rechtbank had volstaan met de constatering dat er geen aanleiding was de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Roermond) van 7 januari 2025. Die grief berustte echter op een onjuiste lezing van de uitspraak: de rechtbank had wél inhoudelijk geoordeeld dat de minister alle relevante verklaringen en omstandigheden had betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Appellant had deze inhoudelijke beoordeling niet betwist. Vervolgens wierp appellant de vraag op of het toegepaste toetsingskader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling in overeenstemming was met de Unierechtelijke verplichting om alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang te bezien. De Afdeling oordeelde dat de beantwoording van deze vraag niet noodzakelijk was voor de oplossing van het geschil, nu de inhoudelijke beoordeling zelf niet ter discussie stond. Met verwijzing naar de vaste Cilfit-jurisprudentie van het Hof van Justitie (1982, 2021 en het recentste arrest Remling van 24 maart 2026) bestond er dan ook geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen. De Afdeling paste de verkorte afdoeningsregeling van artikel 91, tweede lid, Vw 2000 toe, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevatte die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord dienden te worden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.