Raad van State bevestigt handhaving tegen overlast van pluimvee
ECLI:NL:RVS:2026:4979, Raad van State, 27-08-2026, 202601980/1/R3 en 202601980/2/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd. Daarin is [verzoekster] onder meer gelast om de hoeveelheid dieren op het erf terug te brengen tot maximaal tien hennen en één haan. [verzoekster] woont op de [locatie A] in Oosterwolde. [partij A] woont naast [verzoekster], op de [locatie B]. De tuinen van deze percelen grenzen aan elkaar. [partij A] en [verzoekster] houden hanen en hennen op deze percelen. [partij A] houdt daarnaast ook loopeenden. [partij B] woont op [locatie C] in Oosterwolde. De tuinen van de woningen van [partij A] en [partij B] grenzen met de achterzijden ervan aan elkaar. [partij B] stelt overlast te ondervinden van de dieren die door [partij A] en [verzoekster] gehouden worden. Daarom heeft hij het college verzocht om handhavend op te treden. [verzoekster] is gelast om het aantal dieren terug te brengen zodat een situatie ontstaat waarbij het houden van dieren een ondergeschikt gebruik is van haar erf binnen de woonfunctie.
Kern van de zaak
Buurman [partij B] in Oosterwolde ondervindt overlast van hanen, hennen en loopeenden gehouden door buren [partij A] en [verzoekster]. Hij verzocht het college in 2022 om handhaving op grond van de Wabo. Na controles en opgelegde lasten onder dwangsom is de zaak via bezwaar en beroep uiteindelijk bij de Raad van State terechtgekomen.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek (om een voorlopige voorziening) af. Doorslaggevend is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling, waardoor direct uitspraak in de hoofdzaak is gedaan; de handhavingsbesluiten blijven in stand.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk beperkte burengeschilzaak over pluimveeoverlast zonder nieuwe rechtsvragen; de juridische overwegingen over het overgangsrecht en artikel 8:86 Awb zijn bestaande, gevestigde jurisprudentie zonder richtinggevende betekenis.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat het handhavingsverzoek vóór 1 januari 2024 is ingediend (5 juli 2022), blijft de Wabo van toepassing tot het besluit onherroepelijk is.
- 2De Raad van State maakt gebruik van artikel 8:86 Awb om onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen, zonder nader onderzoek.
- 3Uit controles bleek dat hanen, hennen en loopeenden van beide percelen zich vrij konden bewegen doordat een poort in de erfafscheiding open stond.
- 4Het college had lasten onder dwangsom opgelegd aan zowel [partij A] als [verzoekster] vanwege de geconstateerde overtredingen.
- 5De aangevallen uitspraak (van de rechtbank) wordt volledig bevestigd; het hoger beroep of verzoek slaagt niet.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet: handhavingsverzoeken ingediend vóór 1 januari 2024 worden volledig afgehandeld onder de Wabo. De bevoegdheid van de rechter om op grond van artikel 8:86 Awb direct uitspraak in de hoofdzaak te doen bij een voorlopige voorziening wordt bevestigd.
Praktische impact
Voor [partij A] en [verzoekster] betekent de uitspraak dat de opgelegde lasten onder dwangsom in stand blijven en zij aan de handhavingsbesluiten moeten voldoen. [partij B] krijgt aldus de door hem gewenste handhaving ter bestrijding van de dierenoverlast.
Onderwerp-impact
In omgevingsrechtelijke handhavingszaken rondom het houden van dieren in woonwijken verduidelijkt deze uitspraak dat gemeenten bevoegd en gehouden kunnen zijn op te treden bij overlastgevende dieren, ook onder het overgangsregime van de Omgevingswet.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Raad van State van 27 augustus 2026 betreft een handhavingsgeschil tussen buren in Oosterwolde. Aanleiding is de overlast die [partij B] stelt te ondervinden van hanen, hennen en loopeenden die door zijn buren [partij A] en [verzoekster] worden gehouden op aangrenzende percelen. Op 5 juli 2022 verzocht [partij B] het college van de gemeente om handhavend op te treden. Na controles, waarbij werd vastgesteld dat de dieren zich via een open poort vrij tussen de percelen konden bewegen, legde het college lasten onder dwangsom op aan beide buren. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank belandde de zaak bij de Raad van State. Een eerste juridische vraag betrof het toepasselijke recht: nu het handhavingsverzoek vóór 1 januari 2024 was ingediend, bepaalt het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet (artikel 4.3, aanhef en onder a) dat de Wabo van toepassing blijft totdat het besluit onherroepelijk is. De Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking trad, is dus niet van toepassing op deze zaak. De Raad van State oordeelde voorts dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kon bijdragen aan de beoordeling van de zaak en deed daarom met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak, gecombineerd met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt volledig bevestigd en het verzoek wordt afgewezen. De handhavingsbesluiten van het college blijven daarmee in stand. Voor de betrokken buren betekent dit dat zij de opgelegde lasten moeten naleven en de overlast veroorzakende situatie moeten beëindigen.