Asielrelaas Afghaan over Taliban-bedreigingen ongeloofwaardig bevonden
ECLI:NL:RVS:2026:4963, Raad van State, 27-08-2026, BRS.26.000630
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 25 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een Afghaanse asielzoeker stelde dat hij gevaar liep van de Taliban vanwege vermeende werkzaamheden voor buitenlandse troepen. De minister achtte zijn verklaringen over bedreigingen en een aanslag ongeloofwaardig. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de Raad van State oordeelt dat ook een indringende rechterlijke toets of een eigen oordeel van de rechtbank over de geloofwaardigheid niet tot een andere uitkomst zou leiden. Doorslaggevend is dat de kern van het asielrelaas – de bedreigingen en de aanslag door de Taliban – ongeloofwaardig is bevonden, en dat het aangevoerde deskundigenbewijs en de overgelegde documenten dit niet kunnen wegnemen.
Impactscore
LaagDe uitspraak is feitelijk van aard en bevestigt bestaande rechtspraak over geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken; de principiële rechtsvraag over toetsingsintensiteit wordt expliciet niet beantwoord, waardoor de bredere juridische impact beperkt blijft.
Belangrijkste punten
- 1Het asielrelaas over Taliban-bedreigingen wegens gestelde samenwerking met buitenlandse troepen is door de minister en de rechtbank ongeloofwaardig geacht.
- 2Deskundigenbewijs over de impact van een RPG-aanslag is irrelevant zolang de feitelijke grondslag van het relaas ongeloofwaardig is.
- 3Documenten over autohandel en -verhuur maken niet aannemelijk dat de Taliban appellant associeerde met buitenlandse troepen.
- 4De Afdeling laat de rechtsvraag over de indringendheid van rechterlijke toetsing van geloofwaardigheid in asielzaken onbeantwoord, omdat beantwoording niet nodig is voor de uitkomst.
- 5De overige geloofwaardigheidsoverwegingen van de rechtbank worden in hoger beroep niet inhoudelijk betwist.
Impactanalyse
Juridische impact
De Afdeling past de Cilfit-doctrine toe en weigert de prejudiciële vraag over de intensiteit van rechterlijke toetsing van asielgeloofwaardigheid te beantwoorden omdat deze niet nodig is voor de zaaksoplossing. Dit laat de rechtsonzekerheid over de toetsingsintensiteit in asielzaken voorlopig onopgelost.
Praktische impact
Appellant krijgt geen verblijfsvergunning asiel; zijn beroep op gevaar van de Taliban wordt afgewezen. Asielzoekers die soortgelijke claims onderbouwen dienen hun volledige relaas geloofwaardig te maken, want aanvullend bewijs op deelpunten baat niet als de kern ongeloofwaardig is.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak dat ongeloofwaardigheid van de kern van een asielrelaas niet kan worden gerepareerd door deskundigenbewijs of algemene landeninformatie die de associatie met een risicogroep nog niet concreet aannemelijk maakt.
Samenvatting
Een Afghaanse asielzoeker stelde dat hij door de Taliban werd bedreigd omdat hij zou hebben samengewerkt met buitenlandse troepen, en dat er zelfs een aanslag op hem was gepleegd. De minister achtte beide onderdelen van het asielrelaas ongeloofwaardig. De rechtbank bevestigde dit oordeel. In hoger beroep bij de Raad van State voerde appellant aan dat de rechtbank ten onrechte deskundigenbewijs over de effecten van een RPG-aanslag niet had beoordeeld, en dat uit overgelegde documenten over zijn autohandel en uit het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan van juni 2023 bleek dat personen die geassocieerd worden met buitenlandse troepen gevaar lopen. De Raad van State verwerpt het hoger beroep. De Afdeling oordeelt dat ook een indringende toets of een eigen oordeel van de rechtbank over de geloofwaardigheid niet tot een andere uitkomst zou leiden. Het deskundigenbewijs over de RPG is irrelevant, omdat het niets afdoet aan de ongeloofwaardigheid van de onderliggende verklaringen. De documenten over autohandel en de landeninformatie maken evenmin aannemelijk dat de Taliban appellant concreet associeerde met buitenlandse troepen. De overige geloofwaardigheidsoverwegingen van de rechtbank worden in hoger beroep niet inhoudelijk betwist, zodat de ongeloofwaardigheid van het relaas in stand blijft. Appellant had in zijn hogerberoepschrift ook de principiële vraag opgeworpen hoe indringend de rechter de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken moet toetsen. De Afdeling laat deze vraag onbeantwoord, onder verwijzing naar de Cilfit-rechtspraak van het Hof van Justitie: beantwoording is niet nodig voor de oplossing van deze zaak. Het hoger beroep is ongegrond, wat betekent dat appellant geen verblijfsvergunning asiel krijgt. De uitspraak illustreert dat aanvullend bewijs op deelaspekten van een asielrelaas niet kan compenseren wanneer de kern van het relaas ongeloofwaardig wordt geacht.