JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4959Middel52/100

Bewaring niet tijdig omgezet: vreemdeling krijgt schadevergoeding

ECLI:NL:RVS:2026:4959, Raad van State, 26-08-2026, BRS.25.002443

Raad van StateUitspraak: 26 augustus 2026Publicatie: 24 augustus 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.25.002443
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
Refoulement
Vreemdelingenbewaring
Asielintrekking
Bewaringsgrondslag
Terugkeerprocedure

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 20 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Kern van de zaak

Een Tunesische vreemdeling werd in vreemdelingenbewaring gehouden op grond van artikel 59b Vw 2000 (asielgrondslag), ook nadat hij zijn asielaanvraag had ingetrokken en uitdrukkelijk had geweigerd een nieuwe aanvraag in te dienen. De minister verzuimde de bewaringsgrondslag tijdig om te zetten naar artikel 59 Vw 2000 (terugkeergrondslag), pas op 1 december 2025 in plaats van 29 november 2025.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Den Haag is vernietigd. De Afdeling oordeelt dat de minister de wettelijke grondslag van de bewaring niet tijdig heeft omgezet, omdat appellant op 29 november 2025 ondubbelzinnig had verklaard geen internationale bescherming te willen aanvragen, zodat de asielbewaringsgrondslag vanaf dat moment niet langer van toepassing was.

52van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak heeft praktische betekenis voor de uitvoeringspraktijk van vreemdelingenbewaring en sluit aan bij recente HvJ EU-rechtspraak, maar betreft een toepassing van bestaande normen op een specifieke feitelijke situatie zonder fundamenteel nieuwe rechtsregel.

Belangrijkste punten

  • 1Intrekking asielaanvraag én weigering nieuwe aanvraag tijdens gehoor kwalificeren niet als verzoek om internationale bescherming in de zin van de Procedurerichtlijn.
  • 2De bewaringsgrondslag had per 29 november 2025 moeten worden omgezet van art. 59b naar art. 59 Vw 2000; omzetting op 1 december 2025 was te laat.
  • 3De minister kon zich niet beroepen op bescherming tegen refoulement als rechtvaardiging voor het uitstellen van de omzetting: ook in een terugkeerprocedure geldt het refoulementverbod (HvJ EU 4 september 2025, Adrar, C-647/25).
  • 4Appellant ontvangt een schadevergoeding van € 400,00 voor de periode van onrechtmatige bewaring (28 november t/m 1 december 2025).
  • 5De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.802,00.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt dat de bewaringsgrondslag onmiddellijk moet worden omgezet zodra een vreemdeling ondubbelzinnig afziet van een asielaanvraag, en bevestigt dat het refoulementverbod ook geldt binnen de terugkeerprocedure onder artikel 59 Vw 2000, met verwijzing naar het recente HvJ EU-arrest Adrar.

Praktische impact

De minister van Asiel en Migratie dient bij gehoren over opvolgende maatregelen direct te beoordelen of nog sprake is van een asielgrondslag en zo nodig de bewaring onmiddellijk om te zetten, op straffe van schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring.

Onderwerp-impact

Voor de vreemdelingenpraktijk bevestigt deze uitspraak dat uitlatingen van een vreemdeling tijdens een gehoor nauwkeurig moeten worden gedocumenteerd en juridisch gekwalificeerd, nu deze bepalend zijn voor de rechtmatigheid van de (voortgezette) bewaring.

Samenvatting

Deze zaak betreft een Tunesische vreemdeling die op grond van artikel 59b, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring was gesteld in het kader van zijn asielaanvraag. Op 28 november 2025 trok hij zijn asielaanvraag in. Tijdens een gehoor op 29 november 2025 verklaarde hij bovendien uitdrukkelijk geen nieuwe asielaanvraag te willen indienen en bereid te zijn mee te werken aan terugkeer naar Tunesië, ondanks zijn stelling dat hij daar om politieke redenen niet naartoe kon. De minister zette de bewaringsgrondslag echter pas op 1 december 2025 om naar artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000 (terugkeergrondslag), met als toelichting dat dit was gedaan om de vreemdeling te beschermen tegen refoulement. De centrale rechtsvraag was of de minister de bewaringsgrondslag tijdig had omgezet en of de vertraging gerechtvaardigd was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de minister de omzetting had moeten doorvoeren op 29 november 2025. Op dat moment was immers ondubbelzinnig gebleken dat appellant geen verzoek om internationale bescherming wenste in te dienen in de zin van artikel 2, onder b, van de Procedurerichtlijn. De intrekking van de aanvraag de dag ervoor én de expliciete weigering tijdens het gehoor om een nieuwe aanvraag in te dienen, sluiten uit dat sprake was van een impliciet asielverzoek. De rechtvaardiging van de minister — dat de omzetting uitbleef vanwege het refoulementverbod — wordt verworpen, omdat dit verbod evenzeer geldt in het kader van een terugkeerprocedure onder artikel 59 Vw 2000, zoals bevestigd door het Hof van Justitie EU in het arrest Adrar van 4 september 2025. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en appellant ontvangt een schadevergoeding van € 400,00 voor de periode van onrechtmatige bewaring alsmede een proceskostenvergoeding van € 2.802,00.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 4 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
52van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied