Vreemdeling krijgt schorsing uitzetting hangende hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4943, Raad van State, 26-08-2026, BRS.26.004333
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 24 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en heeft tegelijkertijd de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen om uitzetting te voorkomen en opvang en verstrekkingen te ontvangen hangende de procedure.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist; de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00. De doorslaggevende reden is dat op grond van de aangevoerde omstandigheden aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening, conform vaste jurisprudentie (RvS 20 februari 2019).
Impactscore
LaagHet betreft een standaard procedurele voorlopige voorzieningsbeslissing zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitkomst is individueel bepaald en volgt een vaste lijn van de Afdeling.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst hangende hoger beroep
- 2Verzoeker heeft tevens opvang en verstrekkingen gevraagd
- 3Toewijzing gebaseerd op vaste lijn RvS (ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld in proceskosten (€ 934,00)
- 5Uitspraak is een voorlopige voorziening, geen eindoordeel over de zaak ten gronde
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past binnen een vaste lijn van de Raad van State waarbij uitzetting wordt geschorst hangende hoger beroep indien daartoe aanleiding bestaat; er worden geen nieuwe rechtsregels geformuleerd. De beslissing heeft slechts voorlopige werking en laat het oordeel in de bodemprocedure onverlet.
Praktische impact
De vreemdeling mag voorlopig niet worden uitgezet en behoudt zijn verblijf in Nederland totdat het hoger beroep is afgerond; de minister dient de proceskosten te vergoeden.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht bevestigt deze uitspraak de praktijk dat een verzoek om voorlopige voorziening een effectief middel is om uitzetting te schorsen, wat relevant is voor asielzoekers en andere vreemdelingen in lopende beroepsprocedures.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling hoger beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie en tegelijkertijd verzocht om een voorlopige voorziening teneinde uitzetting te voorkomen en aanspraak te maken op opvang en verstrekkingen gedurende de lopende procedure. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het verzoek beoordeeld en aanleiding gevonden om de gevraagde voorziening toe te wijzen. Daartoe is verwezen naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457), op grond waarvan bij voldoende aanleiding een schorsing van de uitzetting wordt opgelegd hangende het hoger beroep. De voorzieningenrechter heeft bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep definitief is beslist. Voorts is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 934,00, geheel toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is uitsluitend voorlopig van aard en doet geen uitspraak over de rechtmatigheid van het onderliggende besluit; dat oordeel is voorbehouden aan de bodemprocedure in hoger beroep. De beslissing heeft geen rechtsontwikkelend karakter en bevestigt slechts de bestaande praktijk. De impact is beperkt tot de individuele verzoeker, maar illustreert de beschermende werking die een voorlopige voorziening in vreemdelingenzaken kan bieden.