Hoger beroep vreemdeling ongegrond over verblijf en SIS-signalering
ECLI:NL:RVS:2026:4942, Raad van State, 28-08-2026, BRS.26.000191
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 28 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn verblijfsstatus. De zaak draait om de vraag of sprake is van een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6 lid 2 van de Terugkeerrichtlijn en de rechtmatigheid van een SIS-signalering inzake terugkeer.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. Doorslaggevend is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, nu de relevante rechtsvragen reeds eerder door de Afdeling zijn beantwoord (RvS 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4177).
Impactscore
LaagDe zaak is afgedaan via de vereenvoudigde procedure zonder inhoudelijke motivering en stelt geen nieuwe rechtsvragen; de impact is daarmee beperkt tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de vereenvoudigde afdoeningsprocedure op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (geen nadere motiveringsplicht).
- 2De rechtsvragen over artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en de SIS-signalering waren al beantwoord in ECLI:NL:RVS:2026:4177.
- 3Geen aanleiding om af te wijken van eerdere jurisprudentie of een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie.
- 4Arrest HvJ 24 maart 2026 (Remling, ECLI:EU:C:2026:243) roept geen nieuwe vragen op over uitleg of geldigheid van Unierecht.
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte afdoening ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en consolideert de eerder uitgezette lijn over de uitleg van artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en SIS-signaleringen. Er worden geen nieuwe rechtsvragen gesteld of beantwoord.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat zijn verblijfssituatie en de SIS-signalering in stand blijven. Er is geen kostenvergoeding toegekend.
Onderwerp-impact
De uitspraak heeft beperkte zelfstandige betekenis voor het vreemdelingenrecht, maar bevestigt de bestendige praktijk rondom terugkeerbeslissingen en SIS-signaleringen in EU-verband.
Samenvatting
In deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2026 staat het hoger beroep van een vreemdeling centraal tegen een uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, betwistte een besluit van de minister in het kader van het vreemdelingenrecht. De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, en in hoeverre het evenredigheidsbeginsel van toepassing was op de SIS-signalering inzake terugkeer. De Afdeling past de vereenvoudigde afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit betekent dat het oordeel niet nader gemotiveerd hoeft te worden, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De rechtsvragen die het hoger beroep opwerpt, zijn namelijk reeds beantwoord in de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4177). Er is geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Bovendien roept het hogerberoepschrift geen nieuwe vragen op over de uitleg of geldigheid van Unierecht, zoals ook volgt uit het recente arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243). De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak heeft een beperkte zelfstandige juridische betekenis, nu zij enkel de reeds bestaande lijn over de Terugkeerrichtlijn en SIS-signaleringen consolideert zonder nieuwe rechtsvragen te stellen of te beantwoorden.