JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4941Laag12/100

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:RVS:2026:4941, Raad van State, 26-08-2026, BRS.26.001750

Raad van StateUitspraak: 26 augustus 2026Publicatie: 24 augustus 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.001750
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
Niet Ontvankelijkheid
Hoger Beroep
Voorlopige Voorziening
Griffierecht
Betalingstermijn

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 21 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aanvraag om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Kern van de zaak

Appellanten stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een beslissing waarbij de minister betrokken was. Ondanks meerdere aanmaningen en een extra termijn betaalden zij het verschuldigde griffierecht niet tijdig. De zaak betreft de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep op formele gronden.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De doorslaggevende reden is dat appellanten het griffierecht, ondanks herhaalde aanmaningen en een eenmalige verlenging van de betaaltermijn tot 28 juli 2026, niet hebben voldaan.

12van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is een routinematige toepassing van een vaste procedurele regel en stelt geen nieuwe rechtsregels. De impact beperkt zich tot de betrokken partijen en heeft geen precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1Appellanten ontvingen meerdere schriftelijke aanmaningen voor betaling van griffierecht (8 april, 23 april en 14 juli 2026).
  • 2Een eenmalige nadere termijn tot 28 juli 2026 werd verleend na het verzoek van appellanten van 17 juni 2026.
  • 3Appellanten stelden dat eerder ontvangen brieven over het griffierecht hen niet hadden bereikt, maar dit werd niet gehonoreerd als verschoonbare reden.
  • 4Niet-betaling van griffierecht binnen de gestelde termijn leidt dwingend tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.
  • 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden nu het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat niet-tijdige betaling van griffierecht, ook na een extra termijn, leidt tot dwingend niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Processuele drempels zoals griffierecht worden strikt gehandhaafd.

Praktische impact

Appellanten verliezen hun mogelijkheid om de zaak inhoudelijk te laten beoordelen door de Afdeling bestuursrechtspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt eveneens afgewezen, zodat zij ook geen schorsing van de bestreden beslissing verkrijgen.

Onderwerp-impact

Voor burgers en rechtspersonen die in bestuursrechtelijke procedures verwikkeld zijn, onderstreept deze uitspraak het belang van tijdige naleving van betalingsverplichtingen in hoger beroepprocedures, ongeacht eventuele communicatieproblemen.

Samenvatting

In deze zaak hadden appellanten hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een bestuursrechtelijk geschil waarbij de minister als verwerende partij optrad. De inhoud van het onderliggende geschil blijkt niet uit de beschikbare tekst van de uitspraak, aangezien de procedure volledig is gestrand op een formele drempel: het niet betalen van griffierecht. De griffier wees appellanten bij brief van 8 april 2026 op de betalingsverplichting en stelde een eerste termijn tot 22 april 2026. Na het uitblijven van betaling volgde een tweede aanmaning met een termijn tot 7 mei 2026, met de uitdrukkelijke waarschuwing dat niet-betaling niet-ontvankelijkheid tot gevolg kan hebben. Opnieuw werd niet betaald. Nadat appellanten verklaarden de eerdere brieven niet te hebben ontvangen en verzochten om een nieuwe kans, gunde de griffier een eenmalige nadere termijn tot 28 juli 2026. Ook deze termijn verstreek zonder betaling. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep op grond hiervan niet-ontvankelijk. Nu het hoger beroep niet-ontvankelijk is, wordt ook het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De minister behoeft geen proceskosten te vergoeden. De beslissing is een toepassing van de dwingendrechtelijke regel dat het niet tijdig voldoen van griffierecht leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook wanneer meerdere extra termijnen zijn geboden. Het verweer dat eerdere brieven niet waren ontvangen, bood geen soelaas nu appellanten ook de laatste nadere termijn onbenut lieten. De uitspraak heeft geen inhoudelijke precedentwerking maar benadrukt het belang van stipte naleving van processuele verplichtingen in bestuursrechtelijke hogerberoepsprocedures.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 4 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied