Turkse ondernemer faalt door ontbrekende markt- en concurrentieanalyse
ECLI:NL:RVS:2026:4940, Raad van State, 26-08-2026, BRS.26.003128
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 6 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een Turkse vreemdeling (appellant) stelt hoger beroep in bij de Raad van State tegen een beslissing van de minister over een verblijfsvergunning voor zelfstandigen. De minister weigerde de vergunning omdat het ondernemingsplan geen op de eigen dienst toegespitste markt- en concurrentieanalyse bevatte. De rechtbank had appellant in het ongelijk gesteld, waarna hij in hoger beroep ging.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond. Hoewel de rechtbank ten onrechte vereiste dat appellant inzicht gaf in het marktaandeel van concurrenten, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het ondernemingsplan een op de eigen dienst toegespitste markt- en concurrentieanalyse miste, waardoor niet aan het documentatievereiste is voldaan.
Impactscore
LaagDe uitspraak verduidelijkt bestaande jurisprudentie op een deelaspect van het documentatievereiste voor Turkse zelfstandigen, maar stelt geen nieuwe rechtsregels en is beperkt tot een specifieke procedurele context.
Belangrijkste punten
- 1De eis van inzicht in het marktaandeel van concurrenten volgt niet uit bijlage 8aa bij artikel 3.20a VV 2000 noch uit paragraaf B6/4.5 Vc 2000.
- 2De Afdeling verduidelijkt dat haar uitspraak van 29 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3925) ziet op het marktaandeel van de aanvrager zelf, niet dat van concurrenten.
- 3Het ontbreken van een op de eigen dienst toegespitste markt- en concurrentieanalyse is een zelfstandige grond voor afwijzing.
- 4Het vereiste van een volledig onderbouwd ondernemingsplan is niet in strijd met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol (Ankara-akkoord).
- 5Het hoger beroep wordt afgedaan zonder nadere motivering op grond van artikel 91 Vreemdelingenwet (geen belang voor rechtseenheid, -ontwikkeling of -bescherming).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van eerdere jurisprudentie over het marktaandeel-vereiste en bevestigt dat het documentatievereiste voor Turkse zelfstandigen een op de eigen onderneming gerichte analyse vereist, zonder strijd met het Aanvullend Protocol.
Praktische impact
Turkse zelfstandigen die een verblijfsvergunning aanvragen moeten in hun ondernemingsplan een specifieke markt- en concurrentieanalyse opnemen die op hun eigen dienst is toegespitst; het enkel ontbreken hiervan volstaat als afwijzingsgrond.
Onderwerp-impact
Voor verblijfsvergunningsprocedures van Turkse zelfstandigen wordt duidelijk welke inhoudseisen aan een ondernemingsplan worden gesteld en dat informatie over het marktaandeel van concurrenten geen formeel vereiste is.
Samenvatting
In deze zaak ging een Turkse vreemdeling in hoger beroep bij de Raad van State nadat de rechtbank zijn beroep tegen de weigering van een verblijfsvergunning voor zelfstandigen had verworpen. De minister had de vergunning geweigerd omdat het ondernemingsplan van appellant onvoldoende was onderbouwd: er ontbrak een op de eigen dienst toegespitste markt- en concurrentieanalyse. De rechtbank had dit oordeel bevestigd, maar had daarbij ook overwogen dat appellant geen inzicht had gegeven in het marktaandeel van zijn concurrenten. Appellant voerde in hoger beroep aan dat dit laatste vereiste niet uit de regelgeving volgt. De Raad van State geeft appellant op dit specifieke punt gelijk: bijlage 8aa bij artikel 3.20a, vierde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 stellen geen eis aan het inzicht in het marktaandeel van concurrenten. De eerdere uitspraak van de Afdeling uit 2018 moet zo worden gelezen dat het marktaandeel van de aanvrager zelf in het plan moet worden opgenomen, niet dat van concurrenten. Ook de minister had deze eis niet gesteld in zijn besluiten. Dat neemt echter niet weg dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft. De rechtbank had namelijk terecht vastgesteld dat het ondernemingsplan een op de eigen dienst toegespitste markt- en concurrentieanalyse mist. Dit is een zelfstandige en voldoende grond voor de conclusie dat niet aan het documentatievereiste is voldaan. Appellant had verder betoogd dat het vereiste van een volledig onderbouwd ondernemingsplan in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij het Ankara-akkoord, maar de Afdeling verwerpt dit onder verwijzing naar vaste jurisprudentie uit 2012. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, afgedaan met een verkorte motivering op grond van artikel 91 Vreemdelingenwet.