Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:4939, Raad van State, 26-08-2026, BRS.26.003974
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 19 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.H. van Wingerden, ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn vreemdelingenbewaring. De vreemdeling betwistte de rechtmatigheid van zijn bewaring.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen, en ziet ook ambtshalve geen reden om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige bevestiging van een lagere rechter via de verkorte afdoeningsprocedure, zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende overwegingen. De verwijzing naar het Remling-arrest is informatief maar introduceert geen nieuw recht.
Belangrijkste punten
- 1De Raad van State past de verkorte motivering toe op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000, omdat het hogerberoepschrift geen rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsvragen bevat.
- 2De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overwegingen 4.1 en 4.1.1) integraal over.
- 3Er zijn geen vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht, conform het arrest Remling (HvJ EU 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243).
- 4De Afdeling heeft ambtshalve getoetst of de vreemdelingenbewaring onrechtmatig is en geen grond daarvoor gevonden.
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte afdoening ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 in vreemdelingenbewaringszaken en verwijst naar het recente Remling-arrest van het HvJ EU als toetssteen voor Unierechtelijke vragen. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking vanwege de verkorte motivering.
Praktische impact
De vreemdeling blijft in bewaring, nu zowel de rechtbank als de Raad van State de maatregel rechtmatig hebben bevonden. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend aan de vreemdeling.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht bevestigt deze uitspraak dat de rechter ook ambtshalve de rechtmatigheid van bewaring toetst, en dat een hogerberoepschrift zonder nieuwe rechtsvragen snel via de verkorte procedure kan worden afgedaan.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank, waarin de rechtmatigheid van zijn vreemdelingenbewaring was bevestigd. De vreemdeling werd bijgestaan door mr. S.H. van Wingerden, advocaat in Zoetermeer. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Daartoe paste de Afdeling de verkorte motiveringsregel toe van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikel maakt het mogelijk om een hogerberoepszaak zonder uitgebreide motivering af te doen wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling stelde vast dat hiervan in deze zaak geen sprake was. Tevens was er geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen over de uitleg of geldigheid van Unierecht, mede in het licht van het recente arrest Remling van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:243). De Afdeling nam de motivering van de rechtbank uit overwegingen 4.1 en 4.1.1 integraal over. Daarnaast heeft de Afdeling ambtshalve getoetst of er redenen waren om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten, maar ook daarvoor werd geen grond gevonden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking en betreft een standaard toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure in het vreemdelingenbewaringsrecht.