Vreemdelingenbewaring ondanks formeel gebrek in maatregel gehandhaafd
ECLI:NL:RVS:2026:4935, Raad van State, 26-08-2026, BRS.26.002977
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 26 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling gaat in hoger beroep bij de Raad van State tegen zijn inbewaringstelling. Hij stelt dat de maatregel van bewaring een formeel gebrek bevat omdat niet expliciet staat dat deze namens de minister is opgelegd, zoals vereist door artikel 10:10 Awb.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Hoewel de bewaring een formeel gebrek bevat (ontbrekende mandaatvermelding), is de maatregel niet onrechtmatig omdat uit de aangehaalde wetsartikelen onmiskenbaar volgt dat zij namens de minister is opgelegd, en appellant niet heeft aangetoond in zijn belangen te zijn geschaad.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een enkelvoudige kamer-beslissing met verkorte motivering ex artikel 91 lid 2 Vw 2000, volgt bestaande jurisprudentie en stelt geen nieuwe rechtsnormen; de reikwijdte is beperkt tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1De maatregel van bewaring vermeldt niet expliciet dat zij namens de minister is opgelegd, wat een gebrek oplevert op grond van artikel 10:10 Awb.
- 2Dit formele gebrek leidt niet tot onrechtmatigheid, omdat verwijzing naar artikel 59a Vw 2000 en artikel 5.3 Vb 2000 onmiskenbaar maakt dat de bevoegdheid namens de minister is uitgeoefend.
- 3Appellant heeft niet toegelicht op welke wijze hij door het gebrek in zijn belangen is geschaad, waardoor de belangenafweging in zijn nadeel uitvalt.
- 4Onweersproken staat vast dat een risico bestaat dat appellant zich aan het toezicht zal onttrekken, hetgeen de bewaring rechtvaardigt.
- 5De Afdeling past de verkorte motivering van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe, nu geen vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in het geding zijn.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de lijn dat een mandaatgebrek in een bewaringsmaatregel passeerbaar is via de belangenafweging indien de grondslag onmiskenbaar volgt uit de aangehaalde wetsartikelen en de betrokkene geen concrete benadeling aantoont. Dit sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de Afdeling (RVS:2026:4185).
Praktische impact
Voor vreemdelingen in bewaring betekent dit dat een formeel gebrek in de maatregel vrijwel nooit tot invrijheidstelling leidt zonder concreet aangetoonde benadeling. Advocaten dienen bij dergelijke gebreken uitdrukkelijk te onderbouwen welk concreet belang is geschaad.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht bevestigt deze uitspraak dat toezichtsrisico zwaar weegt bij de passering van procedurele gebreken in bewaringsbesluiten, waardoor de lat voor succesvolle aanvechting van bewaring hoog blijft.
Samenvatting
Een vreemdeling werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000. In hoger beroep bij de Raad van State betoogde appellant dat de maatregel van bewaring een formeel gebrek bevatte: er stond niet expliciet in dat de maatregel namens de minister was opgelegd, terwijl artikel 10:10 van de Awb dit mandaatvereiste wel voorschrijft. De rechtbank had zijn beroep eerder ongegrond verklaard, en appellant zocht in hoger beroep een ander oordeel. De Afdeling bestuursrechtspraak erkent het gebrek, maar verbindt er geen rechtsgevolg aan. Doorslaggevend is dat de maatregel zowel artikel 59a Vw 2000 als artikel 5.3 Vb 2000 aanhaalt. Uit deze bepalingen volgt naar het oordeel van de Afdeling onmiskenbaar dat de bevoegdheid namens de minister is uitgeoefend. Het gebrek is daarmee weliswaar reëel, maar niet doorslaggevend. Vervolgens hanteert de Afdeling een belangenafweging: appellant heeft niet concreet toegelicht op welke wijze hij door het ontbreken van de mandaatvermelding in zijn belangen is geschaad. Daar staat tegenover dat onweersproken vaststaat dat een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze omstandigheden tezamen laten de weegschaal in het nadeel van appellant doorslaan. De Afdeling past de verkorte motiveringsregeling van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe, omdat het hogerberoepschrift geen vragen oproept die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Ook zijn geen vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht aan de orde. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.