Hoger beroep verblijfsrecht derdelander bij EU-burger ongegrond
ECLI:NL:RVS:2026:4926, Raad van State, 25-08-2026, BRS.26.003514
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 3 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.
Kern van de zaak
Een derdelands familielid van een burger van de Unie stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een rechterlijke uitspraak over het afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU. Tevens werd een voorlopige voorziening verzocht. De zaak draaide om de vraag wanneer een dergelijk afgeleid verblijfsrecht bestaat.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. De doorslaggevende reden is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming dienen (artikel 91 lid 2 Vw 2000), en de rechtsvraag al was beantwoord in eerdere Afdelingsuitspraken en HvJ-rechtspraak.
Impactscore
LaagDe zaak is afgedaan via de verkorte procedure van artikel 91 lid 2 Vw 2000 en bevestigt slechts bestaande jurisprudentie zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; de impact is daarmee minimaal.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000: verkorte afdoening zonder nadere motivering
- 2Rechtsvraag over afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU was reeds beantwoord in uitspraken van 20 augustus 2014 en 19 februari 2015
- 3Geen aanleiding voor prejudiciële vragen gelet op Cilfit-doctrine en Consorzio Italian Management; ook het arrest Remling (HvJ 24 maart 2026) bevestigt dit
- 4Zowel het hoger beroep als het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen
- 5Geen proceskostenveroordeling van de minister
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn in het vreemdelingenrecht over het afgeleide verblijfsrecht van derdelanders bij EU-burgers ex artikel 21 VWEU, zonder nieuwe rechtsvragen te introduceren. De verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 beperkt de precedentwerking.
Praktische impact
Voor de appellant betekent de uitspraak dat het verblijfsrecht niet wordt erkend en de voorlopige voorziening niet wordt getroffen, waardoor de verblijfssituatie ongewijzigd blijft. De minister behoeft geen proceskosten te vergoeden.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken met betrekking tot familieleden van EU-burgers blijft de bestaande rechtspraak over artikel 21 VWEU leidend; nieuwe rechtsontwikkeling wordt in deze zaak niet verwacht.
Samenvatting
In deze zaak had een derdelands familielid van een burger van de Unie hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over het afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU. Tegelijkertijd was een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De centrale rechtsvraag betrof de voorwaarden waaronder een dergelijk afgeleid verblijfsrecht kan worden ontleend aan het Unierecht. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep ongegrond verklaard met toepassing van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikel maakt een verkorte afdoening mogelijk wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de algemene rechtsbescherming beantwoord moeten worden, en legt geen verplichting op tot nadere motivering. De Afdeling stelde vast dat de opgeworpen rechtsvraag reeds was beantwoord in eerdere uitspraken van 20 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3148) en 19 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:517), beide over het moment waarop een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU ontstaat. Voorts overwoog de Afdeling dat de vraag beantwoord kon worden aan de hand van de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie, met name de Cilfit-doctrine, het Consorzio Italian Management-arrest en het recentere Remling-arrest van 24 maart 2026. Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie waren dan ook niet aan de orde. Als gevolg van het ongegronde hoger beroep werd ook het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De minister werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak heeft een beperkte juridische impact, nu zij uitsluitend de bestaande lijn bevestigt zonder nieuwe rechtsontwikkeling te introduceren.