JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4924Laag18/100

Uitzetting vreemdeling opgeschort tot beslissing hoger beroep

ECLI:NL:RVS:2026:4924, Raad van State, 25-08-2026, BRS.26.004174

Raad van StateUitspraak: 25 augustus 2026Publicatie: 21 augustus 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:BRS.26.004174
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Hoger Beroep
Voorlopige Voorziening
Vreemdelingenrecht
Uitzetting
Opvang

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 16 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Kern van de zaak

Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen en opvang te verkrijgen, in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep.

Beslissing van de rechter

De voorzieningenrechter van de Raad van State wijst de gevraagde voorlopige voorziening toe: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een standaard procedurele voorlopige voorziening in een individuele vreemdelingenzaak, zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende uitspraken; de uitkomst is routinematig en gebaseerd op vaste jurisprudentie.

Belangrijkste punten

  • 1Voorlopige voorziening toegewezen op basis van vaste jurisprudentie (RvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457)
  • 2Uitzetting van verzoeker wordt opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist
  • 3Verzoek omvat zowel bescherming tegen uitzetting als recht op opvang en verstrekkingen
  • 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot betaling van € 934,00 aan proceskosten
  • 5De uitspraak betreft een voorlopige maatregel en prejudicieert niet over de uitkomst van het hoger beroep

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak volgt een vaste lijn in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak waarbij voorlopige voorzieningen in vreemdelingenzaken standaard worden toegewezen op basis van de 2019-formule, zonder inhoudelijke toetsing van de kansen in hoger beroep. Dit bevestigt de beschermende werking van het hoger beroep in uitzettingszaken.

Praktische impact

De vreemdeling kan niet worden uitgezet en behoudt recht op opvang en verstrekkingen gedurende de hoger beroepsprocedure, wat de rechtspositie gedurende de procedure feitelijk beschermt.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken biedt deze uitspraak een concreet voorbeeld van hoe de Raad van State via voorlopige voorzieningen de effectiviteit van hoger beroepsprocedures waarborgt en gedwongen verwijdering hangende beroep tegengaat.

Samenvatting

In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd in het kader van een door hem ingesteld hoger beroep tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. Verzoeker vreesde te worden uitgezet voordat op het hoger beroep zou zijn beslist en vroeg tevens om opvang en verstrekkingen gedurende deze periode. De juridische vraag betrof of er aanleiding bestond om bij wijze van voorlopige voorziening de uitzetting te schorsen. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend, onder verwijzing naar de vaste jurisprudentielijn van de Afdeling zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). Op grond van hetgeen is aangevoerd, acht de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening toewijsbaar zonder dat een uitvoerige inhoudelijke beoordeling van de kansen in hoger beroep plaatsvindt. De beslissing houdt in dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist. Daarnaast wordt de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de door verzoeker gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 934,00 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft beperkte zelfstandige juridische betekenis, nu zij een routinematige toepassing van bestaande jurisprudentie betreft in een individuele zaak. Praktisch gezien is de bescherming voor de betrokken vreemdeling echter concreet en direct: uitzetting is opgeschort en opvang is gewaarborgd gedurende de looptijd van de hoger beroepsprocedure.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 5 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen