JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4923Laag18/100

Minister hoeft rechtbankuitspraak asiel niet uit te voeren

ECLI:NL:RVS:2026:4923, Raad van State, 25-08-2026, BRS.26.004093

Raad van StateUitspraak: 25 augustus 2026Publicatie: 21 augustus 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:BRS.26.004093
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Hoger Beroep
Voorlopige Voorziening
Vreemdelingenrecht
Asiel En Migratie
Schorsing

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 23 november 2022 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag om betrokkene een faciliterend visum te verlenen, afgewezen.

Kern van de zaak

De minister van Asiel en Migratie heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak. De minister verzoekt een voorlopige voorziening zodat hij de rechtbankuitspraak niet hoeft uit te voeren in afwachting van de beslissing op het hoger beroep.

Beslissing van de rechter

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe: de minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Doorslaggevend is dat het hoger beroep nader onderzoek vergt waarvoor de kort-gedingprocedure zich niet leent, en dat de belangen van beide partijen dit rechtvaardigen.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een procedurele tussenbeslissing (voorlopige voorziening) in een individuele vreemdelingenzaak zonder inhoudelijke beoordeling van het geschil; er worden geen nieuwe rechtsregels geformuleerd.

Belangrijkste punten

  • 1Verzoek om voorlopige voorziening door minister van Asiel en Migratie toegewezen
  • 2Schorsing van de werking van de rechtbankuitspraak hangende hoger beroep
  • 3Nader onderzoek in de hoofdzaak vereist; kort-gedingprocedure ongeschikt daarvoor
  • 4Belangenafweging tussen minister en betrokkene uitgevallen in voordeel minister
  • 5Geen proceskostenveroordeling

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak betreft een standaard toepassing van de bevoegdheid van de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen hangende hoger beroep ex artikel 8:81 Awb; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.

Praktische impact

De betrokkene (vermoedelijk een vreemdeling) kan vooralsnog geen rechten ontlenen aan de voor hem/haar gunstige rechtbankuitspraak totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist, wat aanzienlijke gevolgen kan hebben voor zijn/haar verblijfsstatus.

Onderwerp-impact

In asiel- en migratiezaken verschaft deze schorsing de overheid extra tijd om een voor de vreemdeling gunstige beslissing niet te hoeven uitvoeren, wat de rechtspositie van de betrokkene tijdelijk bevriest.

Samenvatting

In deze procedure heeft de minister van Asiel en Migratie de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De aanleiding is een hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak. De minister wenst niet verplicht te zijn de rechtbankuitspraak uit te voeren zolang de Afdeling nog niet op zijn hoger beroep heeft beslist. De voorzieningenrechter overweegt dat het hoger beroep nader onderzoek vergt, waarvoor de voorlopige-voorzieningenprocedure zich niet leent. Dit is een vaste grond voor het treffen van een ordemaatregel: wanneer de inhoudelijke beoordeling van de hoofdzaak een diepgaander analyse vereist dan in kort geding mogelijk is, kan de voorzieningenrechter de status quo handhaven totdat de bodemrechter (de Afdeling zelf) uitspraak doet. Daarbij zijn ook de over en weer aangevoerde belangen meegewogen. Op grond hiervan bepaalt de voorzieningenrechter dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. De minister wordt niet veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is inhoudelijk summier en zuiver procedureel van aard. Er wordt geen oordeel gegeven over de gronden van het hoger beroep of de materiële rechtspositie van betrokkene. Praktisch betekent dit dat de betrokkene — vermoedelijk een asielzoeker of andere vreemdeling — vooralsnog geen rechten kan ontlenen aan de voor hem of haar gunstige rechtbankbeslissing. De zaak illustreert het spanningsveld in vreemdelingenzaken tussen effectieve rechtsbescherming enerzijds en de behoefte van de overheid aan een ordelijke procesgang anderzijds.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 7 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen