JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4920Hoog68/100

Vreemdeling kan vreemdelingenbewaring niet zelf intrekken

ECLI:NL:RVS:2026:4920, Raad van State, 25-08-2026, BRS.26.003468

Raad van StateUitspraak: 25 augustus 2026Publicatie: 21 augustus 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.003468
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vergunningen
Vreemdelingenbewaring
Vreemdelingenwet 2000
Opvangrichtlijn
Ambtshalve Toetsing
Intrekking Beroep

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 24 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

Kern van de zaak

Een vreemdeling werd op 24 juni 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld. Zijn advocaat probeerde het automatisch ingestelde beroep in te trekken wegens een planningsconflict. De rechtbank weigerde dit en zette de procedure voort.

Beslissing van de rechter

De Raad van State behandelt het hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat een vreemdeling het automatisch ingestelde beroep tegen vreemdelingenbewaring niet kan intrekken. De doorslaggevende reden is dat artikel 11, derde lid, van Richtlijn (EU) 2024/1346 verplicht tot ambtshalve rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van bewaring, ongeacht de wil van de vreemdeling.

68van 100

Impactscore

Hoog

De uitspraak betreft een fundamentele systeemwijziging in het vreemdelingenbewaringsrecht per juni 2026 en stelt een bindende norm over de (on)mogelijkheid van intrekking; de Raad van State geeft hiermee richtinggevende uitleg aan een nieuw wettelijk stelsel in combinatie met EU-richtlijnverplichtingen.

Belangrijkste punten

  • 1Sinds 12 juni 2026 stelt de minister zelf de rechtbank in kennis van vreemdelingenbewaring; de vreemdeling wordt geacht automatisch beroep te hebben ingesteld (art. 94 lid 1 Vw 2000).
  • 2De advocaat van appellant verzocht om intrekking van het beroep wegens een planningsconflict, maar de rechtbank weigerde dit en zette de zaak voort.
  • 3De rechtbank baseerde haar weigering op artikel 11 lid 3 van de EU-Opvangrichtlijn (2024/1346), dat verplichte ambtshalve rechterlijke toetsing van bewaring voorschrijft.
  • 4De bewaring moet onmiddellijk worden opgeheven indien de rechterlijke toetsing niet binnen 21 dagen heeft plaatsgevonden.
  • 5De wetgever heeft expliciet gekozen voor uitsluitend ambtshalve toetsing, waarmee intrekking door de vreemdeling conceptueel onverenigbaar is.

Impactanalyse

Juridische impact

Deze uitspraak verduidelijkt dat het nieuwe stelsel van ambtshalve kennisgeving en automatisch beroep bij vreemdelingenbewaring (per 12 juni 2026) geen ruimte laat voor intrekking door de vreemdeling, nu EU-recht een verplichte rechterlijke toetsing voorschrijft.

Praktische impact

Advocaten van vreemdelingen in bewaring kunnen het beroep niet meer intrekken om praktische redenen zoals planningsconflicten; de rechter toetst de bewaring altijd ambtshalve en ongeacht de proceshouding van de vreemdeling.

Onderwerp-impact

Voor de vreemdelingenpraktijk betekent dit dat de procesautonomie van de vreemdeling bij bewaringstoetsing sterk is ingeperkt door dwingende Europese regelgeving, wat gevolgen heeft voor de inrichting van rechtsbijstand bij vreemdelingenbewaring.

Samenvatting

Deze uitspraak van de Raad van State betreft een hoger beroep over een principiële vraag binnen het vernieuwde stelsel van vreemdelingenbewaring: kan een vreemdeling het automatisch ingestelde beroep tegen zijn bewaring intrekken? Sinds 12 juni 2026 geldt op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een nieuw systeem waarbij de minister de rechtbank onverwijld in kennis stelt van een opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring. De vreemdeling wordt vanaf dat moment geacht automatisch beroep te hebben ingesteld, zonder dat daarvoor een eigen handeling is vereist. In de onderhavige zaak werd appellant op 24 juni 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b Vw 2000. Zijn advocaat verzocht de rechtbank het beroep in te trekken, uitsluitend omdat hij op de geplande zittingsdatum al drie andere zittingen had gepland. De rechtbank weigerde dit verzoek en zette de behandeling voort, waarna de zaak op verzoek van de gemachtigde schriftelijk werd afgehandeld. De rechtbank onderbouwde haar beslissing met verwijzing naar artikel 11, derde lid, van Richtlijn (EU) 2024/1346 (de nieuwe Opvangrichtlijn), dat lidstaten verplicht de rechtmatigheid van iedere maatregel van vreemdelingenbewaring ambtshalve of op verzoek van de betrokkene met spoed rechterlijk te laten toetsen. Bovendien moet bewaring onmiddellijk worden opgeheven indien deze toetsing niet binnen 21 dagen heeft plaatsgevonden. Omdat de Nederlandse wetgever bewust heeft gekozen voor een stelsel van uitsluitend ambtshalve toetsing — zonder dat de vreemdeling zelf beroep hoeft in te stellen — is intrekking van dat beroep door de vreemdeling onverenigbaar met zowel de wettelijke systematiek als de Europeesrechtelijke verplichting. De Raad van State bevestigt daarmee dat procesautonomie in bewaringszaken ondergeschikt is aan de dwingende Europese norm van verplichte rechterlijke controle.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 4 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied