Hoger beroep vreemdeling in terugkeerzaak ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4919, Raad van State, 25-08-2026, BRS.26.000189
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 24 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een terugkeerzaak. Het geschil betrof onder meer de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt en een SIS-signalering inzake terugkeer. De minister was de wederpartij.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Doorslaggevend is dat het hogerberoepschrift geen rechtsvragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden, en de relevante rechtsvragen reeds door de Afdeling zijn beantwoord in een eerdere uitspraak van 17 juli 2026.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder eigen rechtsontwikkeling; de zaak bevestigt slechts bestaande jurisprudentie en stelt geen nieuwe regels.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000: verkorte afdoening zonder nadere motivering omdat geen rechtsvragen van algemeen belang spelen.
- 2De rechtsvragen over aanwezigheidsvereiste op grondgebied van de beslissende lidstaat en evenredigheidsbeginsel bij SIS-signalering waren al beantwoord in ECLI:NL:RVS:2026:4168.
- 3Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht (conform Remling-arrest HvJ EU, ECLI:EU:C:2026:243).
- 4Enkelvoudige kamerafdoening, wat de routinematige aard van de zaak bevestigt.
- 5Geen proceskostenveroordeling voor de minister.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte motiveringsregel ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en consolideert de eerder in ECLI:NL:RVS:2026:4168 geformuleerde rechtsnormen over SIS-signalering en het evenredigheidsbeginsel in terugkeerzaken.
Praktische impact
De vreemdeling wordt geconfronteerd met een onherroepelijk terugkeerbesluit en kan geen verdere rechtsmiddelen aanwenden op basis van de aangevoerde gronden; er worden geen proceskosten toegewezen.
Onderwerp-impact
In terugkeerprocedures bevestigt deze uitspraak dat rechtsvragen over SIS-signalering en aanwezigheidsvereisten als uitgekristalliseerd worden beschouwd na de uitspraak van 17 juli 2026, waardoor gelijksoortige zaken snel via de verkorte procedure kunnen worden afgedaan.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling, bijgestaan door mr. M.J.A. Bakker, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een terugkeerzaak. Het hogerberoepschrift richtte zich onder meer op de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt en op het evenredigheidsbeginsel in relatie tot een SIS-signalering inzake terugkeer. De centrale juridische vraag was of de rechtbank de zaak correct had beslecht en of het hoger beroep aanleiding gaf tot een inhoudelijke herbeoordeling of beantwoording van rechtsvragen van algemeen belang. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De doorslaggevende reden is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden, zoals vereist door artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling maakt gebruik van de zogenoemde 'kale' of verkorte motivering die deze bepaling toestaat. Concreet waren de aangevoerde rechtsvragen over het aanwezigheidsvereiste en het evenredigheidsbeginsel bij SIS-signalering reeds beantwoord in de eerdere Afdelingsuitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4168). Bovendien riep het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of geldigheid van een bepaling van Unierecht, conform het Remling-arrest van het Hof van Justitie van de EU van 24 maart 2026. Er is geen aanleiding in dit geval anders te oordelen dan in die eerdere uitspraak. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is enkelvoudig gedaan en heeft geen zelfstandige precedentwerking.