Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:4912, Raad van State, 26-08-2026, BRS.26.000182
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 10 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een vreemdeling tekende hoger beroep aan bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenrechtelijke zaak, vermoedelijk gerelateerd aan een terugkeerbesluit en de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat het hogerberoepschrift geen rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden (artikel 91 lid 2 Vw 2000), en de relevante rechtsvraag over aanwezigheid op het grondgebied reeds eerder was beantwoord.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een routinematige toepassing van de verkorte afdoeningsgrond zonder nieuwe rechtsvragen. De relevante rechtsvraag was reeds beantwoord in een eerdere uitspraak van dezelfde maand.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de verkorte afdoeningsgrond ex artikel 91 lid 2 Vw 2000: geen nadere motivering vereist
- 2De rechtsvraag over vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt was al beantwoord in RvS 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4168
- 3Geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen: het hogerberoepschrift roept geen vragen op over uitleg of geldigheid van Unierecht (HvJ 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243)
- 4Geen proceskostenveroordeling opgelegd aan de minister
- 5Uitspraak gedaan door enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn over de vereiste aanwezigheid bij terugkeerbesluiten zoals neergelegd in ECLI:NL:RVS:2026:4168, zonder nieuwe rechtsontwikkeling. De verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91 lid 2 Vw 2000 wordt conform vaste praktijk toegepast.
Praktische impact
Voor appellant heeft de uitspraak tot gevolg dat de eerdere rechtbankuitspraak onherroepelijk wordt en het terugkeerbesluit in stand blijft. Er is geen verdere rechtsmiddelen meer open.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken rondom terugkeerbesluiten wordt de reeds vastgestelde lijn over aanwezigheidsvereisten op het grondgebied van de lidstaat opnieuw bevestigd, wat rechtzekerheid biedt voor de uitvoeringspraktijk.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 26 augustus 2026 het hoger beroep van appellant in een vreemdelingenrechtelijke zaak ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellant, bijgestaan door mr. M.J.A. Bakker, had hoger beroep ingesteld tegen een rechterlijke beslissing die vermoedelijk verband hield met een terugkeerbesluit en de vereiste aanwezigheid van de vreemdeling op het grondgebied van de lidstaat die dat besluit had genomen. De Afdeling maakte gebruik van de verkorte afdoeningsprocedure op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze bepaling staat toe dat een hoger beroep zonder nadere motivering wordt verworpen wanneer het geen rechtsvragen oproept die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord dienen te worden. De centrale rechtsvraag in dit hoger beroep – over de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt – was reeds beantwoord in een eerdere Afdelingsuitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4168). Het hogerberoepschrift bood geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Tevens bestond geen reden voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, nu het hogerberoepschrift geen nieuwe vragen over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen opriep, mede gelet op het arrest Remling van het HvJ van 24 maart 2026. De uitspraak is van beperkte zelfstandige juridische betekenis: zij consolideert bestaand recht en sluit de zaak af voor appellant, zonder nieuwe normen te stellen voor de vreemdelingenrechtpraktijk.