Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4907, Raad van State, 25-08-2026, BRS.26.004151
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 23 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank die zijn bewaring rechtmatig had geoordeeld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door een advocaat uit Haarlem, betwistte de rechtmatigheid van zijn bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling heeft de motivering van de rechtbank overgenomen en vastgesteld dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, terwijl ook ambtshalve geen reden bestaat om de bewaring onrechtmatig te achten.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige bevestiging van een bewaringsoordeel met verkorte motivering; de verwijzing naar het HvJ-arrest Remling is informatief maar leidt niet tot nieuwe rechtsregels in deze zaak.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 91 lid 2 Vw 2000 toegepast: verkorte afdoening omdat geen rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsvragen spelen
- 2Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht (verwijzing naar HvJ 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243)
- 3Afdeling neemt motivering rechtbank (overweging 6.1) integraal over
- 4Ambtshalve toetsing van de bewaring levert geen reden op om onrechtmatigheid aan te nemen
- 5Minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak betreft een standaardtoepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (verkorte motivering) en heeft beperkte precedentwerking; opvallend is de expliciete verwijzing naar het recente HvJ-arrest Remling (2026) als maatstaf voor wanneer Unierechtelijke vragen om nadere motivering vragen.
Praktische impact
De vreemdeling blijft in bewaring en ontvangt geen schadevergoeding of proceskostenvergoeding; de minister wordt gevrijwaard van verdere aansprakelijkheid voor de bewaringsmaatregel.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenbewaringszaken bevestigt de Raad van State de lage drempel voor verkorte afdoening via artikel 91 lid 2 Vw 2000, waarbij ook het nieuwe Remling-criterium van het HvJ wordt geïntegreerd als toetsingsmaatstaf voor Unierechtelijke vragen.
Samenvatting
In deze vreemdelingrechtelijke zaak stelde een vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank, waarin zijn bewaring rechtmatig was geoordeeld. De vreemdeling werd bijgestaan door een advocaat te Haarlem en betwistte kennelijk de gronden of voortduring van de aan hem opgelegde bewaringsmaatregel op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aangevallen uitspraak. Zij past daarbij de verkorte motiveringsregel van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden, volstaat de Afdeling met het overnemen van de motivering van de rechtbank (overweging 6.1). Bovendien zijn er in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen, waarvoor de Afdeling verwijst naar het recentelijk gewezen arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31) als toetsingskader. Darnaast heeft de Afdeling ambtshalve beoordeeld of er reden bestaat om de bewaring alsnog onrechtmatig te achten. Ook dat levert geen aanknopingspunt op. De minister behoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is weinig verrassend en heeft beperkte precedentwerking. Opmerkelijk is de expliciete incorporatie van het Remling-arrest als referentiekader voor de vraag wanneer Unierechtelijke vragen nopen tot nadere motivering in hoger beroep. Dit sluit aan bij de doorlopende afstemming tussen de Afdeling en het Hof van Justitie over de reikwijdte van de verplichting tot prejudiciële verwijzing in vreemdelingenbewaringszaken.