Raad van State: vertrekplicht bij non-refoulement uitgesloten na intrekking asiel
ECLI:NL:RVS:2026:4895, Raad van State, 21-08-2026, BRS.26.002696
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, geweigerd om aan hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en aan hem een vertrekplicht opgelegd.
Kern van de zaak
Een Syrische asielzoeker zag zijn asielvergunning ingetrokken wegens openbare orde, maar kon niet worden teruggestuurd vanwege schending artikel 3 EVRM. De minister legde hem desondanks een vertrekplicht op. De zaak draaide om de vraag of deze vertrekplicht verenigbaar is met het non-refoulementbeginsel.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard: de rechtbank had de minister niet mogen opdragen nader aan te geven welke rechtsgevolgen hij verbindt aan de vernietiging van de vertrekplicht. Doorslaggevend is het HvJ-arrest Tadmur, dat bepaalt dat het non-refoulementbeginsel niet alleen aan een terugkeerbesluit maar ook aan het opleggen van een vertrekplicht in de weg staat.
Impactscore
HoogDe uitspraak volgt een prejudiciële beslissing van het HvJ en stelt een duidelijke, bindende norm voor een veel voorkomende beleidspraktijk; de impact reikt verder dan de individuele zaak maar betreft toepassing van reeds gevestigd Unierecht.
Belangrijkste punten
- 1HvJ-arrest Tadmur (26 maart 2026) bepaalt dat non-refoulement ook in de weg staat aan een vertrekplicht, niet alleen aan een terugkeerbesluit.
- 2De asielvergunning van betrokkene werd ingetrokken wegens gevaar voor de openbare orde (ernstig misdrijf), maar terugkeer naar Syrië was uitgesloten wegens artikel 3 EVRM.
- 3De minister had geen terugkeerbesluit genomen maar wel een vertrekplicht opgelegd op grond van artikel 61 Vw 2000.
- 4De Afdeling vernietigt het deel van de rechtbankuitspraak waarbij de minister werd opgedragen de rechtsgevolgen van de vernietiging nader te specificeren.
- 5De uitspraak past het recht toe dat gold vóór 12 juni 2026, wat wijst op een overgangsrechtelijke situatie.
Impactanalyse
Juridische impact
Het arrest bevestigt dat artikel 6 Terugkeerrichtlijn en het non-refoulementbeginsel (mede gezien HvJ Tadmur) eraan in de weg staan dat een vertrekplicht wordt opgelegd wanneer verwijdering is uitgesloten, wat een duidelijke norm stelt voor toekomstige intrekkingsbeslissingen. Dit beperkt de beleidsruimte van de minister bij openbare orde-gevallen waarbij terugkeer onmogelijk is.
Praktische impact
Voor vreemdelingen met een ingetrokken asielvergunning die wegens non-refoulement niet kunnen worden teruggestuurd, kan geen vertrekplicht worden opgelegd, hetgeen hun rechtspositie in Nederland versterkt ondanks de intrekking van de status.
Onderwerp-impact
In asiel- en vreemdelingenrechtelijke zaken waarbij openbare orde-intrekkingen worden gecombineerd met non-refoulementbescherming, zal de overheid voortaan geen vertrekplicht kunnen opleggen, wat directe gevolgen heeft voor het handhavingsbeleid bij gevaarlijke vreemdelingen.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of de minister aan een Syrische vreemdeling, wiens asielvergunning was ingetrokken wegens gevaar voor de openbare orde, een vertrekplicht kon opleggen terwijl terugkeer naar Syrië was uitgesloten vanwege een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. De minister had geen terugkeerbesluit genomen, maar meende dat de vreemdeling op grond van artikel 61 Vw 2000 toch verplicht was Nederland te verlaten. De rechtbank Den Haag had eerder prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Dit beantwoordde de vragen in het arrest Tadmur (26 maart 2026) bevestigend: artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in samenhang met de bepalingen over non-refoulement, verzet zich niet alleen tegen de vaststelling van een terugkeerbesluit wanneer verwijdering is uitgesloten, maar ook tegen het opleggen van een vertrekplicht in diezelfde situatie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep van betrokkene ongegrond, maar het hoger beroep van de minister gegrond. Dat laatste omdat de rechtbank de minister ten onrechte had opgedragen nader te omschrijven welke rechtsgevolgen hij verbindt aan de vernietiging van de vertrekplicht. Dat onderdeel van de rechtbankuitspraak wordt vernietigd; voor het overige wordt de uitspraak bevestigd. De uitspraak heeft aanzienlijke praktische betekenis: wanneer een vreemdeling vanwege non-refoulement niet kan worden uitgezet, is ook het opleggen van een vertrekplicht niet toegestaan. Dit beperkt de handhavingsmogelijkheden van de overheid in gevallen waarbij de openbare orde-intrekking en de non-refoulementbescherming samengaan, en biedt vreemdelingen in deze categorie een steviger rechtspositie.