Hoger beroep gemeente Molenlanden niet-ontvankelijk in vergunningzaak
ECLI:NL:RVS:2026:4856, Raad van State, 19-08-2026, 202301844/1/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 25 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden aan B.V. Peursum omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 22 bedrijfsunits aan de Peursumseweg 93B t/m 93Z (achter Peursumseweg 93A) in Giessenburg (het perceel). In de uitspraak van 8 februari 2023 op de beroepen van [wederpartij sub 1] en anderen en [wederpartij sub 2] en anderen ging het om de verlening van een omgevingsvergunning aan Peursum voor het bouwen van 22 bedrijfsunits op het perceel. Volgens het college was het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan "Buitengebied Giessenlanden". De rechtbank heeft overwogen dat het college een onjuiste uitleg aan artikel 6.1 van de planregels heeft gegeven, door ervan uit te gaan dat deze planregel meer dan één bedrijf op het perceel toestaat. De rechtbank heeft de beroepen daarom gegrond verklaard, de bezwaren alsnog gegrond verklaard en het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning herroepen. Het college is het niet eens met deze uitspraak en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. [wederpartij sub 1] en anderen en [wederpartij sub 2] en anderen hebben aanvankelijk voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld, maar zij hebben die incidenteel hoger beroepen ingetrokken en de Afdeling verzocht om het college te veroordelen in door hen gemaakte proceskosten.
Kern van de zaak
Het college van B&W van Molenlanden verleende een omgevingsvergunning voor 22 bedrijfsunits aan Peursum. Omwonenden maakten bezwaar en de rechtbank herriep de vergunning wegens onjuiste uitleg van de planregel over het aantal toegestane bedrijven. Het college ging in hoger beroep bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep van het college niet-ontvankelijk. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van wederpartijen (€ 467,00), omdat Peursum haar aanvraag introk na de rechtbankuitspraak waardoor het belang aan het hoger beroep was komen te vervallen.
Impactscore
LaagDe uitspraak is procedureel van aard (niet-ontvankelijkverklaring wegens verlies procesbelang) en stelt geen nieuwe rechtsregels. De relevantie is beperkt tot de specifieke casus en heeft geen bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de aanvraag dateert van 17 november 2021, blijft de Wabo (oud recht) van toepassing.
- 2De rechtbank oordeelde dat artikel 6.1 van de planregels niet meer dan één bedrijf op het perceel toestaat, en herriep de vergunning.
- 3Na de rechtbankuitspraak trok Peursum haar aanvraag om omgevingsvergunning in, waardoor het procesbelang voor het hoger beroep verviel.
- 4Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van wederpartijen werd ingetrokken; zij verzochten slechts om proceskostenveroordeling.
- 5Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ad € 467,00 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een bestuursorgaan geen procesbelang meer heeft bij hoger beroep wanneer de vergunningaanvrager zijn aanvraag intrekt na een voor het bestuursorgaan ongunstige rechterlijke uitspraak. Het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet wordt correct toegepast.
Praktische impact
Voor omwonenden ([wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] en anderen) betekent dit dat de bouw van 22 bedrijfsunits definitief geen doorgang vindt, en dat zij een (beperkte) proceskostenvergoeding ontvangen.
Onderwerp-impact
In ruimtelijke-ordeningsprocedures onderstreept deze zaak het belang van een correcte uitleg van planregels over het aantal toegestane bedrijven in het buitengebied, en de gevolgen van het intrekken van een vergunningaanvraag voor lopende hoger beroepsprocedures.
Samenvatting
Deze zaak betreft een omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden verleende aan Peursum voor de bouw van 22 bedrijfsunits op een perceel in het buitengebied van de voormalige gemeente Giessenlanden. Omwonenden maakten bezwaar, stellende dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan 'Buitengebied Giessenlanden'. De rechtbank gaf de omwonenden gelijk: zij oordeelde dat het college artikel 6.1 van de planregels onjuist had uitgelegd door ervan uit te gaan dat deze regel meer dan één bedrijf op het perceel toestaat. De rechtbank herriep de vergunning. Het college ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Echter, nadat de rechtbank de vergunning had herroepen, trok Peursum haar aanvraag om omgevingsvergunning in. Daarmee verviel het belang van het college bij het hoger beroep: er was immers geen aanvraag meer waarop opnieuw beslist moest worden. De Afdeling verklaart het hoger beroep van het college dan ook niet-ontvankelijk. Ten aanzien van het toepasselijke recht oordeelt de Afdeling dat de Wabo (oud recht) van toepassing blijft, omdat de aanvraag vóór 1 januari 2024 — de inwerkingtreding van de Omgevingswet — is ingediend, overeenkomstig het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet. De wederpartijen hadden aanvankelijk voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld, maar trokken dit in en verzochten uitsluitend om een proceskostenveroordeling. De Afdeling wijst dit toe en veroordeelt het college tot betaling van € 467,00 aan proceskosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand aan [wederpartij sub 1] en anderen. De uitkomst is daarmee volledig in het voordeel van de omwonenden: de bouw van de bedrijfsunits gaat niet door en het college draagt de proceskosten.