Tijdelijke woonunit geweigerd voor hondenfokkerij op agrarisch perceel
ECLI:NL:RVS:2026:4854, Raad van State, 19-08-2026, 202403045/1/R2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 18 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maashorst geweigerd om aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit voor de duur van twee jaar op het perceel aan de [locatie] in Odiliapeel. [appellante] wil een kleinschalige zorgboerderij met een hondenkennel, een hondenfokkerij en dagbesteding realiseren op het perceel, waar een bedrijfsgebouw en een bedrijfswoning van een voormalige varkenshouderij staan. Om de hondenfokkerij te realiseren wil [appellante] het bedrijfsgebouw en de bedrijfswoning verbouwen. Tijdens de verbouwing wenst [appellante] een tijdelijke woonunit als woonruimte te gebruiken. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Partiële herziening buitengebied 2017" laat geen tweede woonfunctie toe op het perceel. Daarom heeft [appellante] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het afwijken van het bestemmingsplan en het plaatsen van de tijdelijke woonunit. [appellante] is het niet eens met het besluit van het college van B&W en vindt dat een hondenfokkerij niet in strijd is met de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "intensieve veehouderij".
Kern van de zaak
Appellante wil een zorgboerderij met hondenfokkerij realiseren op een voormalig varkensbedrijf en vraagt een tijdelijke woonunit aan tijdens de verbouwing. Het college weigert de omgevingsvergunning omdat een hondenfokkerij niet past binnen de agrarische bestemming, waardoor de noodzaak voor de tijdelijke woonunit ontbreekt. Appellante bestrijdt dit standpunt bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is onvolledig weergegeven, waardoor de definitieve beslissing van de Raad van State niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare overwegingen lijkt het college de vergunning te hebben geweigerd omdat de hondenfokkerij niet planologisch is toegestaan op het agrarisch perceel, en daarmee de noodzaak voor de tijdelijke woonunit volgens de Beleidslijn Tijdelijke Woonruimte niet is aangetoond.
Impactscore
LaagDe zaak betreft een individueel geval van een geweigerde omgevingsvergunning voor een tijdelijke woonunit in het buitengebied zonder bredere precedentwerking; bovendien is de uitspraaktekst onvolledig, wat de beoordeling van de juridische impact bemoeilijkt.
Belangrijkste punten
- 1Aanvraag ingediend vóór 1 januari 2024, dus Wabo (oud recht) blijft van toepassing op grond van overgangsrecht Invoeringswet Omgevingswet
- 2Het bestemmingsplan laat geen tweede woonfunctie toe; appellante vroeg afwijking voor tijdelijke woonunit
- 3Beleidslijn Tijdelijke Woonruimte vereist objectief aantoonbare noodzaak voor een tijdelijke woonunit
- 4College stelt dat hondenfokkerij niet past binnen de agrarische bestemming, waardoor noodzaak ontbreekt
- 5De tekst is onvolledig; de uiteindelijke beslissing van de Raad van State kan niet volledig worden beoordeeld
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak illustreert het belang van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en bevestigt dat beleidsregels over tijdelijke woonruimte strikt worden getoetst aan de planologische toelaatbaarheid van de hoofdactiviteit. Onzekerheid blijft bestaan over de exacte uitkomst wegens de incomplete uitspraaktekst.
Praktische impact
Voor initiatiefnemers die tijdelijke woonruimte willen realiseren tijdens verbouwingen in het buitengebied geldt dat de hoofdfunctie planologisch toegestaan moet zijn voordat een noodzaak voor een tijdelijke woonunit kan worden aangetoond. Een hondenfokkerij op een agrarisch perceel vereist een passende planologische basis.
Onderwerp-impact
Deze zaak raakt direct aan de toepassing van beleidsregels voor tijdelijke woonruimte in het buitengebied en de vraag in hoeverre een wijziging van agrarische activiteiten (varkenshouderij naar zorgboerderij met hondenfokkerij) planologisch toelaatbaar is onder een agrarische bestemming.
Samenvatting
Deze zaak bij de Raad van State betreft een omgevingsvergunningaanvraag ingediend op 13 maart 2022 door een appellante die een kleinschalige zorgboerderij met hondenfokkerij wil realiseren op een voormalig varkensbedrijfsperceel. Omdat de aanvraag vóór 1 januari 2024 is ingediend, blijft op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht (de Wabo) van toepassing tot het besluit onherroepelijk is. Appellante wenst tijdens de verbouwing van het bedrijfsgebouw en de bedrijfswoning gebruik te maken van een tijdelijke woonunit. Het geldende bestemmingsplan 'Partiële herziening buitengebied 2017' staat echter geen tweede woonfunctie toe op het perceel, waardoor een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan vereist is. Het college hanteert de Beleidslijn Tijdelijke Woonruimte, die vereist dat uit objectieve gegevens de noodzaak van een tijdelijke woonunit blijkt. Het college weigert de vergunning omdat een hondenfokkerij niet planologisch is toegestaan op het perceel met agrarische bestemming, en daarmee de noodzaak voor de tijdelijke woonunit ontbreekt. De tijdelijke woonunit wordt beschouwd als strijdig met een goede ruimtelijke ordening. Appellante betwist dit standpunt. De uitspraaktekst is onvolledig aangeleverd, waardoor de definitieve beslissing van de Raad van State en de volledige motivering niet kunnen worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare overwegingen lijkt de kern van het geschil te draaien om de vraag of een hondenfokkerij planologisch toelaatbaar is binnen de agrarische bestemming, en daarmee of de noodzaak voor tijdelijke woonruimte kan worden aangetoond. De zaak benadrukt het belang van planologische toelaatbaarheid van de hoofdfunctie als voorwaarde voor het verlenen van afwijkingsvergunningen voor ondersteunende voorzieningen.