Urgentieverklaring gezin met zieke kinderen ten onrechte geweigerd
ECLI:NL:RVS:2026:4850, Raad van State, 19-08-2026, 202502818/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 2 mei 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellanten] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellanten] hebben twee kinderen, [kind A] (geboren op [geboortedatum] 2017) en [kind B] (geboren op [geboortedatum] 2020). Beide kinderen hebben een ernstige vorm van een erfelijke botziekte, hereditaire multipele exostosen/multipele osteochondromen (HME/MO). Bij deze aandoening ontstaat vaak pijn door druk van goedaardige bottumoren op spieren, pezen en zenuwen. Daardoor moeten zij regelmatig geopereerd worden. Na een operatie zijn zij voor hun revalidatie tijdelijk afhankelijk van een rolstoel. [kind A] heeft een gehandicaptenparkeerkaart, omdat hij niet meer dan 100 meter kan lopen. Daarnaast heeft [kind A] autisme en gedragsproblemen. [kind A] zit op het speciaal onderwijs. [kind B] zit op het speciaal basisonderwijs. [appellanten] wonen met hun kinderen in een tweekamerwoning van 61 m2 op de derde verdieping. [appellanten] hebben op 23 februari 2023 een urgentieverklaring aangevraagd. In de aanvraag hebben zij toegelicht dat zij in hun gezin ernstige medische en psychische problemen hebben. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellanten] schulden hebben die niet zijn geregeld. Zij hebben een schuld van in totaal € 44.000,00. Ook hebben [appellanten] volgens het college een gezin gesticht zonder hiervoor passende woonruimte te hebben. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag mocht afwijzen.
Kern van de zaak
Een gezin met twee kinderen met een ernstige erfelijke botziekte (HME/MO) vroeg een urgentieverklaring aan voor een grotere woning. Het gezin woont in een te kleine tweekamerwoning op de derde verdieping met een defecte lift. Het college weigerde de aanvraag vanwege schulden en de stelling dat het gezin is gesticht zonder passende woonruimte.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college van 6 september 2023, omdat dit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:4 Awb (zorgvuldigheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel). Het college moet een nieuw besluit op bezwaar nemen, waarbij het de medische en psychische omstandigheden van het gezin zorgvuldig moet meewegen tegen de weigeringsgronden.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een individueel geval en stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel, maar bevestigt wel de noodzaak van zorgvuldige en evenredige belangenafweging bij urgentiebeleid in de sociale huisvesting, wat relevant is voor gemeentelijke uitvoeringspraktijk.
Belangrijkste punten
- 1Beide kinderen lijden aan HME/MO, een ernstige erfelijke botziekte waarvoor zij regelmatig geopereerd worden en tijdelijk een rolstoel nodig hebben.
- 2Het gezin woont in een te kleine tweekamerwoning op de derde verdieping met een vaak defecte lift, wat de zorgbelasting van de ouders ernstig vergroot.
- 3Het college weigerde de urgentieverklaring primair wegens schulden van € 44.000 en de overweging dat het gezin is gesticht zonder passende woonruimte.
- 4De Afdeling oordeelt dat het besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (art. 3:2 Awb) en het evenredigheidsbeginsel (art. 3:4 Awb).
- 5De Afdeling bepaalt dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar uitsluitend beroep bij haar kan worden ingesteld (art. 8:113 lid 2 Awb).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bij de beoordeling van urgentieverklaringen de concrete medische en sociale omstandigheden van het gezin zorgvuldig en evenredig moeten worden afgewogen tegen weigeringsgronden als schulden. Het schematisch afwijzen op grond van schulden zonder oog voor de ernst van de woonsituatie is in strijd met de Awb.
Praktische impact
Het college moet een nieuw besluit nemen waarbij de ernstige medische situatie van de kinderen en de psychische klachten van de ouders als gevolg van de woonsituatie volwaardig worden meegewogen. Het gezin heeft daarmee kans alsnog een urgentieverklaring te verkrijgen.
Onderwerp-impact
Voor woningcorporaties en gemeenten die urgentieverklaringen beoordelen, benadrukt deze uitspraak dat een beleid waarbij schulden automatisch tot weigering leiden, onvoldoende ruimte biedt voor maatwerk bij ernstige medische problematiek.
Samenvatting
Dit geschil betreft een gezin met twee kinderen die lijden aan hereditaire multipele exostosen/multipele osteochondromen (HME/MO), een ernstige erfelijke botziekte waarbij regelmatige operaties en tijdelijk rolstoelgebruik noodzakelijk zijn. Het gezin woont in een tweekamerwoning van 61 m² op de derde verdieping, met een lift die regelmatig buiten werking is. De kinderen slapen in hetzelfde stapelbed in de kamer van de ouders, waarbij één kind vanwege pijn niet zelfstandig in het stapelbed kan klimmen. De vader heeft als gevolg van de zorgbelasting psychische klachten waarvoor hij onder psychiatrische behandeling staat. In februari 2023 vroeg het gezin een urgentieverklaring aan voor een andere, passende woning. Het college wees deze aanvraag af, met als doorslaggevende redenen dat het gezin schulden had van in totaal € 44.000 en dat het gezin zou zijn gesticht zonder passende woonruimte te hebben. Het college handhaafde deze afwijzing in bezwaar, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit van het college van 6 september 2023. De Afdeling oordeelt dat het college bij de beoordeling van de aanvraag in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Awb en het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 Awb. De ernstige medische situatie van de kinderen, de structurele verzwaring van de zorgbelasting door de ongeschikte woonsituatie en de psychische gevolgen voor de ouders zijn onvoldoende zorgvuldig meegewogen in de besluitvorming. Het college moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling. Om verdere vertraging te voorkomen bepaalt de Afdeling dat tegen het nieuwe besluit uitsluitend beroep bij haar kan worden ingesteld, op grond van artikel 8:113 lid 2 Awb.