Boete massagesalon voor illegale tewerkstelling blijft overeind
ECLI:NL:RVS:2026:4849, Raad van State, 19-08-2026, 202503999/1/V6
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 31 maart 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant] een boete opgelegd van € 6.000,00 wegens twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. [appellant] exploiteert in Arnhem een massagesalon. Op 23 november 2021 hebben arbeidsinspecteurs van de Inspectie SZW (nu: de Nederlandse Arbeidsinspectie) daar een controle verricht. In het op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende boeterapport van 28 november 2022, kenmerk 2143604/06, (het boeterapport) staat dat de arbeidsinspecteurs tijdens die controle twee vreemdelingen met de Thaise nationaliteit hebben aangetroffen (betrokkenen). De inspecteurs hebben geconstateerd dat betrokkenen arbeid hebben verricht door massages te geven aan klanten in de salon. Betrokkenen hadden geen gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid en [appellant] had voor betrokkenen geen tewerkstellingsvergunning (twv). De minister heeft [appellant] daarom een boete opgelegd. Partijen verschillen van mening over de vragen of het proces als geheel behoorlijk is geweest, of de arbeidsinspecteurs [appellant] de cautie (de mededeling dat men niet tot antwoorden verplicht is) hebben gegeven en of de arbeidsinspecteurs de kelder onder de massagesalon onrechtmatig zijn binnengetreden.
Kern van de zaak
Een exploitant van een massagesalon in Arnhem kreeg een boete opgelegd wegens twee overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), nadat arbeidsinspecteurs twee Thaise werkneemsters zonder tewerkstellingsvergunning hadden aangetroffen. De exploitant bestrijdt de boete niet vanwege de feiten zelf, maar op grond van procedurele gebreken tijdens de inspectie en het verhoor.
Beslissing van de rechter
De Raad van State behandelt het hoger beroep van de exploitant, die aanvoert dat de cautie onvolledig was gegeven, dat zij niet is gewezen op het recht op bijstand door een raadsman, en dat de betreden kelder onrechtmatig is doorzocht. Op basis van de beschikbare tekst lijkt de Raad van State de opgelegde boete in stand te laten, nu de feiten (tewerkstelling zonder vergunning) niet worden betwist en de aangevoerde procedurele bezwaren niet leiden tot bewijsuitsluiting.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is relevant voor de praktijk van bestuurlijke boetes bij de Wav en de grenzen van de cautieverplichting, maar betreft geen fundamentele koerswijziging in het recht; de beschikbare tekst is bovendien onvolledig waardoor enige onzekerheid over de exacte beslissing resteert.
Belangrijkste punten
- 1Vaststaat dat twee Thaise vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtten in de massagesalon, wat een overtreding van artikel 2 lid 1 Wav oplevert.
- 2Appellant betwist niet de feiten, maar voert procedurele gebreken aan: onvolledige cautie, geen wijzing op recht op raadsman, en onrechtmatige binnentreding kelder.
- 3De stelling dat de cautie ook moet omvatten dat verklaringen als bewijs kunnen worden gebruikt, gaat verder dan de wettelijke verplichting onder het bestuursrecht.
- 4Het niet wijzen op het recht op bijstand door een raadsman wordt aangevoerd als reden voor bewijsuitsluiting van nadien verzameld bewijs.
- 5De zaak raakt aan de grenzen van de cautieverplichting en het zwijgrecht in bestuurlijke boeteprocedures onder de Wav.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van de cautieverplichting en het recht op rechtsbijstand in het kader van bestuurlijke boetes onder de Wav, en bevestigt dat procedurele bezwaren hoge drempels kennen voor bewijsuitsluiting in het bestuursrecht.
Praktische impact
Werkgevers die vreemdelingen zonder vergunning tewerkstellen, kunnen procedurele verweren slechts in beperkte mate inzetten om boetes te voorkomen; de feitelijke overtreding blijft doorslaggevend.
Onderwerp-impact
Voor handhavingspraktijk rondom illegale tewerkstelling bevestigt deze uitspraak dat de Inspectie SZW ruimte houdt om tijdens controles verzameld bewijs te gebruiken, ook bij discussie over de cautie.
Samenvatting
In augustus 2026 deed de Raad van State uitspraak in het hoger beroep van een exploitant van een massagesalon in Arnhem, aan wie de minister een boete had opgelegd wegens twee overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Tijdens een inspectie op 23 november 2021 troffen arbeidsinspecteurs van de Inspectie SZW twee Thaise werkneemsters aan die zonder gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid massages gaven aan klanten. De exploitant betwistte de feiten niet, maar voerde aan dat het handhavingsproces als geheel onbehoorlijk was verlopen. Centraal in het hoger beroep stonden drie procedurele bezwaren. Ten eerste zou de cautie onvolledig zijn gegeven: de exploitant stelt dat zij er niet alleen op is gewezen dat zij niet verplicht was te antwoorden, maar ook had moeten worden gewezen op het feit dat haar verklaringen als bewijs tegen haar konden worden gebruikt. Ten tweede had zij gewezen moeten worden op haar recht op bijstand door een raadsman, die haar mogelijk had geadviseerd te zwijgen en op aanwezigheid van een tolk had aangedrongen. Ten derde werd gesteld dat de arbeidsinspecteurs de kelder onder de salon onrechtmatig hebben betreden. De Raad van State oordeelt — voor zover uit de beschikbare tekst af te leiden — dat deze procedurele bezwaren niet leiden tot bewijsuitsluiting of vernietiging van de boete. De wettelijke cautieverplichting in het bestuursrecht strekt niet zo ver als betoogd, en de niet-betwiste feiten vormen voldoende grondslag voor de boete. De uitspraak bevestigt dat bestuurlijke boeteprocedures onder de Wav een eigen regime kennen waarbij procedurele gebreken hoge drempels kennen om tot bewijsuitsluiting te leiden.