WBV 2022/22 onverbindend: minister betaalt proceskosten asielzoeker
ECLI:NL:RVS:2026:4786, Raad van State, 17-08-2026, 202500742/1/V2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Kern van de zaak
Een asielzoeker diende op 30 oktober 2022 een asielaanvraag in en stelde de minister op 1 mei 2023 in gebreke wegens uitblijven van een besluit. De rechtbank wees zijn verzoek om proceskostenvergoeding af omdat de ingebrekestelling te vroeg zou zijn ingediend na toepassing van WBV 2022/22 (negen maanden verlenging beslistermijn). Appellant ging in hoger beroep.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. De doorslaggevende reden is dat WBV 2022/22 onverbindend is verklaard, waardoor de beslistermijn niet rechtsgeldig was verlengd en de ingebrekestelling van 1 mei 2023 tijdig was.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is toepassend van aard en volgt rechtstreeks uit de reeds richtinggevende einduitspraak van 25 maart 2026; de principiële rechtsvraag is reeds beslist, maar de toepassing op individuele zaken en de proceskostenimplicaties zijn praktisch relevant voor een grote groep asielzoekers.
Belangrijkste punten
- 1WBV 2022/22, waarmee de minister de beslistermijn met negen maanden verlengde, is onverbindend verklaard door de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2026:1749) na prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (HvJ 8 mei 2025, Zimir).
- 2De reguliere beslistermijn van zes maanden eindigde op 30 april 2023; de ingebrekestelling van 1 mei 2023 was daarmee tijdig.
- 3Nu de ingebrekestelling tijdig was, bestaat aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep én hoger beroep.
- 4De rechtbank had ten onrechte aangenomen dat de verlenging met WBV 2022/22 rechtmatig was, wat de afwijzing van de proceskostenvergoeding ondeugdelijk maakte.
- 5De Afdeling past wegingsfactor 0,5 toe bij de berekening van de proceskostenvergoeding.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak past de einduitspraak van 25 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1749) toe op individuele gevallen en bevestigt dat in alle zaken waarbij WBV 2022/22 werd toegepast op aanvragen van vóór de verlengingsdatum, de beslistermijn niet rechtsgeldig is verlengd. Dit heeft directe gevolgen voor de ontvankelijkheid van eerder als niet-ontvankelijk beoordeelde ingebrekestellingen.
Praktische impact
Asielzoekers wier ingebrekestelling destijds als 'te vroeg' werd afgewezen op basis van WBV 2022/22, komen alsnog in aanmerking voor proceskostenvergoeding; de minister moet deze kosten in vergelijkbare zaken alsnog vergoeden.
Onderwerp-impact
Voor de asielpraktijk betekent dit dat een groot aantal beschikkingen waarbij de beslistermijn via WBV 2022/22 was verlengd, herbeoordeeld moet worden op het punt van tijdigheid van ingebrekestellingen en de daarmee samenhangende proceskostenveroordeling.
Samenvatting
In deze zaak gaat het om een asielzoeker die op 30 oktober 2022 een asielaanvraag indiende. Omdat de minister niet tijdig een besluit nam, stelde hij de minister op 1 mei 2023 in gebreke. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep tegen het uitblijven van een besluit uiteindelijk niet-ontvankelijk omdat de minister alsnog een besluit had genomen, maar wees ook het verzoek om proceskostenvergoeding af. De rechtbank redeneerde dat de minister op grond van WBV 2022/22 de beslistermijn rechtsgeldig met negen maanden had verlengd tot 30 januari 2024, waardoor de ingebrekestelling van 1 mei 2023 te vroeg was ingediend. In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State anders. Na prejudiciële vragen van de Afdeling aan het Hof van Justitie — beantwoord in het arrest Zimir van 8 mei 2025 — heeft de Afdeling op 25 maart 2026 in een einduitspraak geoordeeld dat WBV 2022/22 onverbindend is. Dit betekent dat de verlengde beslistermijn nooit rechtskracht heeft gehad. De reguliere beslistermijn van zes maanden eindigde voor appellant dus gewoon op 30 april 2023. De ingebrekestelling van 1 mei 2023 was daarmee wél tijdig. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen, en veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep, met toepassing van wegingsfactor 0,5. De uitspraak illustreert de doorwerking van de principiële onverbindendverklaring van WBV 2022/22 in individuele procedures, en heeft gevolgen voor alle vergelijkbare zaken waarin ingebrekestellingen op dezelfde grond als prematuur waren afgedaan.