Hoger beroep Dublinclaimant over Slovenië ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4694, Raad van State, 13-08-2026, BRS.26.003292
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 19 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over een Dublinclaim. De zaak draait om de toegang tot opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten in Slovenië en de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister had eerder een beslissing genomen waarover de vreemdeling procedeerde.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat het hogerberoepschrift geen rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, omdat de Afdeling de relevante rechtsvraag al beantwoord had in een eerdere uitspraak van 29 juli 2026.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige bevestiging van eerder vastgesteld recht via de verkorte motiveringsroute; er worden geen nieuwe rechtsvragen gesteld of beantwoord en de zaak heeft nauwelijks precedentwaarde.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 91 lid 2 Vreemdelingenwet 2000: verkorte motivering omdat geen relevante rechtsvragen rijzen
- 2De rechtsvraag over opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten in Slovenië was reeds beantwoord in ECLI:NL:RVS:2026:4375
- 3Interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Slovenië is eerder vastgesteld en staat niet ter discussie
- 4Geen prejudiciële vragen aan het HvJ EU nodig, mede op basis van het Remling-arrest (ECLI:EU:C:2026:243)
- 5Minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling inzake het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Slovenië en de toepassing van de verkorte motiveringsregel ex artikel 91 lid 2 Vw 2000. Er worden geen nieuwe rechtsvragen gesteld of beantwoord.
Praktische impact
Voor de betreffende vreemdeling betekent dit dat de Dublinclaim naar Slovenië in stand blijft en overdracht kan worden voortgezet. De minister draagt geen proceskosten.
Onderwerp-impact
De uitspraak versterkt de bestaande praktijk rondom Dublintransfers naar Slovenië en biedt weinig ruimte voor nieuwe juridische aanvechtingen op dit specifieke punt.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een Dublinzaak. De kern van het geschil betrof de toegang tot opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten in Slovenië en de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van dat land. De minister had eerder een beslissing genomen op basis waarvan de vreemdeling overgedragen zou worden aan Slovenië als verantwoordelijke lidstaat. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarbij heeft de Afdeling gebruik gemaakt van de verkorte motiveringsregel van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000, op grond waarvan een nadere motivering achterwege kan blijven indien het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling overwoog dat de relevante rechtsvraag — over de opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten in Slovenië en het interstatelijk vertrouwensbeginsel — reeds was beantwoord in haar uitspraak van 29 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4375). Daarnaast riep het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 in de zaak Remling. Het stellen van prejudiciële vragen was dan ook niet aan de orde. De uitspraak is procedureel van aard en heeft weinig zelfstandige precedentwaarde, maar bevestigt de bestaande lijn dat Slovenië als veilig land voor Dublinclaimanten wordt beschouwd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.