Leeftijdsbeoordeling asielzoeker: vermoeden minderjarigheid minister te ontzenuwen
ECLI:NL:RVS:2026:4666, Raad van State, 12-08-2026, BRS.26.003011
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 7 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling stelt minderjarig te zijn bij zijn asielaanvraag, maar de minister volgt de in Italië geregistreerde geboortedatum. Appellant gaat in hoger beroep bij de Raad van State omdat hij meent dat het leeftijdsonderzoek niet zorgvuldig was en het Unierecht onvoldoende is toegepast.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. De Afdeling oordeelt dat de minister zorgvuldig onderzoek heeft verricht en deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de gestelde minderjarigheid ongeloofwaardig wordt geacht, in lijn met het kader dat de Afdeling eerder vaststelde in de uitspraak van 9 oktober 2024.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt en past bestaande jurisprudentie toe, maar introduceert geen nieuwe rechtsregels; de praktische betekenis voor de leeftijdsbeoordelingspraktijk is echter structureel aanwezig.
Belangrijkste punten
- 1De minister mag een EU-leeftijdsregistratie betrekken bij de beoordeling, maar kan zich daarbij niet beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
- 2Wanneer een vreemdeling stelt minderjarig te zijn, geldt een vermoeden van minderjarigheid dat de minister moet ontzenuwen.
- 3De minister heeft in dit geval het vermoeden van minderjarigheid voldoende ontzenuwd via zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd onderzoek.
- 4Het toepasselijke bewijsrechtelijke kader combineert nationaal bestuursrechtelijk bewijsrecht met aanvullende Unierechtelijke vereisten.
- 5Er bestaat geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen, nu de rechtsvragen aan de hand van bestaande HvJ-rechtspraak (Cilfit, Consorzio, Remling) beantwoord kunnen worden.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt het in 2024 uitgezette kader voor leeftijdsbeoordeling bij asielzoekers en verduidelijkt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt bij het overnemen van EU-leeftijdsregistraties. Het vermoeden van minderjarigheid en de bewijslast bij de minister worden daarmee als vaste uitgangspunten verankerd.
Praktische impact
Voor asielzoekers die stellen minderjarig te zijn, biedt dit kader procedurele bescherming doordat de minister actief het vermoeden moet weerleggen. Voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst betekent dit dat zorgvuldig en specifiek gemotiveerd leeftijdsonderzoek vereist blijft.
Onderwerp-impact
In de vreemdelingenpraktijk leidt dit tot verdere standaardisering van de werkwijze bij leeftijdsbeoordelingen van (vermeende) alleenstaande minderjarige vreemdelingen, wat relevantie heeft voor opvang, procesbegeleiding en rechtsbijstand.
Samenvatting
In deze zaak heeft appellant, een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn, hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij betwistte het oordeel van de rechtbank dat de minister een zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd leeftijdsonderzoek had verricht. De kern van de juridische vraag betrof de wijze waarop de minister bij zijn leeftijdsbeoordeling gebruik mag maken van een in een andere EU-lidstaat geregistreerde geboortedatum, en welke bewijsrechtelijke standaard daarbij geldt in het licht van het Unierecht. De Afdeling verwijst naar haar richtinggevende uitspraak van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992), waarin zij heeft uiteengezet dat de minister een EU-leeftijdsregistratie mag meewegen, maar zich daarbij niet kan beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Wanneer een vreemdeling stelt minderjarig te zijn, geldt een vermoeden van minderjarigheid. De bewijslast om dit vermoeden te ontzenuwen rust op de minister, die daarvoor nationaal bestuursrechtelijk bewijsrecht moet toepassen, aangevuld met Unierechtelijke vereisten. In het onderhavige geval oordeelt de Afdeling dat de minister aan deze standaard heeft voldaan: het leeftijdsonderzoek is zorgvuldig uitgevoerd en de conclusie dat appellant ten tijde van zijn asielaanvraag niet minderjarig was, is deugdelijk gemotiveerd. Er bestond dan ook geen grond om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zag de Afdeling evenmin aanleiding, nu de rechtsvragen reeds beantwoord kunnen worden aan de hand van de bestaande HvJ-rechtspraak, waaronder de arresten Cilfit, Consorzio Italian Management en Remling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.