Hoger beroep minister asiel ongegrond wegens herstelbaar gebrek
ECLI:NL:RVS:2026:4458, Raad van State, 31-07-2026, BRS.26.002068
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 11 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 17 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Kern van de zaak
De minister van Asiel en Migratie ging in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank, die een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek had geconstateerd in een besluit. De minister betwistte dit oordeel, maar de Raad van State oordeelde dat het hogerberoepschrift geen rechtsvragen van algemeen belang opwierp.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. Doorslaggevend was dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, en dat het geconstateerde gebrek zich eenvoudig laat herstellen.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsvragen; de inhoud van de onderliggende zaak is nagenoeg onbekend en er worden geen richtinggevende normen gesteld.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000: verkorte afdoening zonder nadere motivering omdat geen rechtsvragen van algemeen belang spelen
- 2Het door de rechtbank geconstateerde zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek laat zich eenvoudig herstellen in nieuwe besluitvorming
- 3Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht (verwijzing naar HvJ 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243)
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00
- 5De uitspraak bevat inhoudelijk weinig informatie over de onderliggende zaak door de verkorte motivering
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de standaardtoepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 voor verkorte afdoening in vreemdelingenzaken en sluit aan bij de recente Unierechtelijke kaders uit het Remling-arrest. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Praktische impact
De minister moet de zaak opnieuw beslissen met herstel van het zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek, en draagt de proceskosten van € 934,00. Voor betrokkene betekent dit een terugverwijzing naar de besluitvormingsfase.
Onderwerp-impact
In asiel- en migratiezaken bevestigt deze uitspraak dat hoger beroep van de overheid tegen herstelbare gebreken weinig kans van slagen heeft indien geen principiële rechtsvragen aan de orde zijn.
Samenvatting
In deze zaak had de rechtbank een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek vastgesteld in een besluit van de minister van Asiel en Migratie. De minister ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling deed de zaak af met een verkorte motivering op grond van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000, dat bepaalt dat een uitspraak geen nadere motivering behoeft indien het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling oordeelde dat het geconstateerde gebrek zich los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn eenvoudig laat herstellen, en dat het hoger beroep van de minister dan ook geen principiële rechtsvragen opwierp. Daarnaast werden geen vragen gesteld over de uitleg of geldigheid van Unierecht, waarbij de Afdeling verwees naar het recente arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 in de zaak Remling. Op grond hiervan werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene ten bedrage van € 934,00. De uitspraak is inhoudelijk beperkt door de verkorte afdoeningswijze; over de achtergrond van de vreemdelingrechtelijke zaak zelf is weinig bekend. De zaak illustreert dat hoger beroep door de overheid tegen louter herstelbare procedurele gebreken in vreemdelingenzaken weinig kansrijk is wanneer geen principiële rechtsvragen spelen.