Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:445, Raad van State, 29-01-2026, BRS.25.002586
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 29 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Kern van de zaak
Een appellant, bijgestaan door advocaat R. Coene uit Amsterdam, heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State in een vreemdelingenzaak. De rechtbank had eerder een voor appellant ongunstige uitspraak gedaan, waartegen dit hoger beroep was gericht.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Raad van State past artikel 91, tweede lid, Vw 2000 toe: het hogerberoepschrift bevat geen vragen die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming beantwoord moeten worden, zodat verdere motivering achterwege blijft.
Impactscore
LaagDit is een standaard-afdoeningsbeslissing op basis van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder inhoudelijke beoordeling of nieuwe rechtsontwikkeling. De uitspraak heeft enkel gevolgen voor de direct betrokkene.
Belangrijkste punten
- 1De Afdeling bestuursrechtspraak past de verkorte motiveringsgrond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe
- 2De motivering van de rechtbank onder overweging 5.2 wordt integraal overgenomen door de Afdeling
- 3Het hogerberoepschrift bevat geen rechtsvragen van algemeen belang
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden aan appellant
- 5De zaak is behandeld door een enkelvoudige kamer
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de standaardtoepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000, waarmee de Afdeling hoger beroepen in vreemdelingenzaken zonder rechtsvragen van algemeen belang versneld en beknopt kan afdoen. Geen nieuwe rechtsontwikkeling.
Praktische impact
Voor appellant betekent dit dat de oorspronkelijke beslissing van de minister onherroepelijk wordt. Verdere rechtsmiddelen in deze procedure zijn uitgeput.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken zonder principiële rechtsvragen leidt toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 tot een zeer beknopte afdoening, wat de doorlooptijd bij de Afdeling beperkt maar de rechtsbescherming van de individuele vreemdeling feitelijk reduceert.
Samenvatting
In deze vreemdelingenzaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 januari 2026 het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellant werd bijgestaan door advocaat R. Coene uit Amsterdam en had nadere stukken ingediend ter onderbouwing van het hoger beroep. De inhoud van de onderliggende zaak is uit de gepubliceerde uitspraak niet kenbaar, nu de Afdeling gebruik heeft gemaakt van de verkorte afdoeningsgrond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op grond van deze bepaling kan de Afdeling volstaan met een beknopte motivering wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling heeft vastgesteld dat hiervan in dit geval geen sprake is. De Afdeling heeft de motivering van de rechtbank, neergelegd onder overweging 5.2 van de aangevallen uitspraak, integraal overgenomen en als haar eigen oordeel aanvaard. Verdere inhoudelijke motivering blijft daarmee achterwege. De beslissing houdt in dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister is niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De zaak is enkelvoudig afgedaan door mr. A. Kuijer. Deze uitspraak heeft geen zelfstandige juridische precedentwerking en vormt slechts de formele afsluiting van de beroepsprocedure voor appellant, wiens rechtspositie daarmee definitief is bepaald door de eerdere rechterlijke oordelen.