Raad van State: private Interbank-schuld niet overgenomen via toeslagenregeling
ECLI:NL:RVS:2026:4447, Raad van State, 29-07-2026, 202407533/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 6 juli 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd een private schuld van [appellante] over te nemen. In deze zaak gaat het over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). [appellante] is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft verzocht om overname van een private schuld bij Interbank van € 22.726,21. De minister heeft geweigerd deze schuld over te nemen, omdat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Uit een e-mail van Interbank van 3 juli 2023 blijkt dat de schuld niet is opgeëist en dat er geen achterstallige betalingstermijnen zijn die in de referteperiode van de Wht vallen. De minister heeft de afwijzing van deze aanvraag in bezwaar gehandhaafd.
Kern van de zaak
Een gedupeerde van de toeslagenaffaire verzocht de minister om overname van een private schuld bij Interbank van ruim €22.700. De minister weigerde omdat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was, een wettelijk vereiste uit de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De gedupeerde ging in beroep en hoger beroep.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de weigering tot overname van de schuld blijft in stand. De doorslaggevende reden is dat de schuld bij Interbank niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was en er geen betalingsachterstanden of incassomaatregelen waren, waarmee niet wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van artikel 4.1 lid 2 Wht.
Impactscore
LaagDe uitspraak past de bestaande wettelijke criteria van de Wht toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; het betreft een feitelijke toepassing van heldere wetsbepalingen in een individueel geval met beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van artikel 4.1 lid 2 Wht moeten over te nemen schulden vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geweest.
- 2Uit een e-mail van Interbank blijkt dat de schuld niet is opgeëist en dat er geen achterstallige betalingstermijnen waren in de referteperiode.
- 3Artikel 4.1 lid 4 aanhef en onder b Wht sluit overname van resterende hoofdsommen van leningen uit, tenzij die wegens betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
- 4De rechtbank en de Raad van State achtten geen bijzondere omstandigheden aanwezig die nopen tot afwijking wegens het evenredigheids- of gelijkheidsbeginsel.
- 5De toets aan het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel is niet bereikt, omdat de wettelijke systematiek als zodanig niet buiten toepassing is gesteld.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de opeisbaarheidseis in de Wht en laat weinig ruimte voor afwijking op grond van evenredigheid of gelijkheid bij lopende leningen zonder betalingsachterstand. Dit biedt duidelijkheid over de reikwijdte van hoofdstuk 4 van de Wht voor vergelijkbare gevallen.
Praktische impact
Gedupeerden van de toeslagenaffaire met lopende leningen waarbij geen sprake is van betalingsachterstanden of opeising vóór 1 juni 2021, komen niet in aanmerking voor schuldovername via de Wht. Zij zullen hun schulden zelf moeten blijven aflossen of een andere herstelroute moeten bewandelen.
Onderwerp-impact
Voor gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire die private schulden hebben opgebouwd, verduidelijkt deze uitspraak dat alleen schulden die daadwerkelijk opeisbaar waren in de referteperiode in aanmerking komen voor overname; niet alle financiële lasten worden gedekt door de herstelwetgeving.
Samenvatting
Deze zaak betreft een gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire die op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) verzocht om overname van een private schuld bij Interbank ter hoogte van ruim €22.700. De minister weigerde de schuld over te nemen omdat niet was voldaan aan de wettelijke eis dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar moest zijn. Uit een e-mail van Interbank bleek immers dat de schuld niet was opgeëist, er geen betalingsachterstanden waren en geen incassomaatregelen waren getroffen in de relevante referteperiode. De appellante bestreed dit besluit, maar zowel de rechtbank als de Raad van State oordeelden dat de minister terecht had geweigerd. De juridische kern van de zaak ligt in artikel 4.1 lid 2 en lid 4 onder b van de Wht. Deze bepalingen vereisen dat schulden die in aanmerking komen voor overname geldschulden zijn die zijn ontstaan na 31 december 2005 én vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren. Leningen waarvan de hoofdsom nog niet opeisbaar is geworden wegens betalingsachterstanden, vallen expliciet buiten de regeling. Aan dit opeisbaarheidscriterium was in dit geval niet voldaan, nu Interbank de schuld gewoon liep. De rechtbank en de Raad van State kwamen niet toe aan een evenredigheids- of gelijkheidstoets, omdat geen bijzondere omstandigheden werden vastgesteld die de wetgever niet zou hebben meegewogen bij het opstellen van de regeling. De strikte wettelijke systematiek blijft daarmee volledig overeind. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking, maar bevestigt duidelijk dat gedupeerden met lopende leningen zonder betalingsproblemen niet via de Wht-schuldenroute geholpen worden.