Toeslagengedupeerde krijgt private schulden niet overgenomen
ECLI:NL:RVS:2026:4446, Raad van State, 29-07-2026, 202407702/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 14 december 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om overneming van private schulden afgewezen.In deze zaak gaat het over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). [appellante] is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de minister verzocht om overname van private schulden. Het gaat om een schuld van € 2.499,00 aan Quander en een schuld van € 1.250,00 aan Primeline. De minister heeft geweigerd deze schulden over te nemen, omdat beide schulden niet voldoen aan de daarvoor in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht gestelde voorwaarden. De schulden waren niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar en bij beide schulden was geen sprake van een betalingsachterstand. De minister heeft de afwijzing van deze aanvraag in bezwaar gehandhaafd.
Kern van de zaak
Een gedupeerde van de toeslagenaffaire verzocht de minister om overname van twee private schulden (€2.499 aan Quander en €1.250 aan Primeline) op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. De minister weigerde, omdat de schulden niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en er geen betalingsachterstanden bestonden.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de Raad van State bevestigt dat de minister terecht de overname van de schulden heeft geweigerd. Doorslaggevend is dat beide schulden niet voldoen aan de wettelijke voorwaarde van artikel 4.1, tweede lid, Wht: zij waren niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar en er was geen sprake van betalingsachterstanden.
Impactscore
LaagDe uitspraak past een duidelijke wettelijke norm toe op een individueel geval zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; de reikwijdte is beperkt tot vergelijkbare feitelijke situaties binnen de toeslagenaffaire.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van artikel 4.1, tweede lid, Wht komen alleen schulden voor overname in aanmerking die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en onvoldaan zijn.
- 2Schulden die wel uitstonden maar waarop geen betalingsachterstand bestond en die niet waren opgeëist, vallen buiten de wettelijke regeling.
- 3De schuldeisers hebben schriftelijk bevestigd dat er op 31 mei 2021 geen betalingsachterstanden bestonden, waardoor mondelinge opeising niet aannemelijk werd geacht.
- 4Resterende hoofdsommen van leningen zonder betalingsachterstand worden expliciet uitgesloten op grond van artikel 4.1, vierde lid, onder b, Wht.
- 5De rechtbank en de Raad van State oordelen eensluidend: strikte wettelijke criteria laten geen ruimte voor overname in dit geval.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte uitleg van de opeisbaarheidsvoorwaarden in de Wht: louter uitstaande schulden zonder betalingsachterstand of actieve opeising kwalificeren niet voor schuldsanering onder de hersteloperatie toeslagen.
Praktische impact
Toeslagengedupeerden met private schulden die formeel niet vóór 1 juni 2021 zijn opgeëist of waarbij geen betalingsachterstand bestond, komen niet in aanmerking voor schuldovername, ook al zijn zij erkend als gedupeerde.
Onderwerp-impact
De uitspraak verduidelijkt de grenzen van de overheidsregeling voor schuldhulp aan toeslagengedupeerden en kan van belang zijn voor andere gedupeerden in vergelijkbare situaties.
Samenvatting
In deze zaak staat centraal of de minister van Financiën terecht heeft geweigerd twee private schulden van een gedupeerde van de toeslagenaffaire over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De gedupeerde had schulden bij Quander (€2.499) en Primeline (€1.250) en deed een beroep op hoofdstuk 4 van de Wht, dat voorziet in overname en betaling van private schulden van gedupeerden. De minister weigerde de overname omdat beide schulden niet voldeden aan de in artikel 4.1, tweede lid, Wht neergelegde voorwaarde dat schulden vóór 1 juni 2021 opeisbaar moesten zijn. Bovendien waren er geen betalingsachterstanden, had geen van de schuldeisers de schulden opgeëist en waren er geen incassomaatregelen getroffen. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat het enkel uitstaan van een schuld op 1 juni 2021 onvoldoende is; er moet daadwerkelijk sprake zijn van opeisbaarheid, hetzij door contractuele vervaldatum, hetzij door een betalingsachterstand. De stelling van appellante dat de schulden mondeling zouden zijn opgeëist, werd verworpen, nu de schuldeisers schriftelijk het tegendeel hadden bevestigd. De Raad van State oordeelt in hoger beroep eensluidend met de rechtbank en bevestigt de afwijzing. De uitspraak illustreert de strikte, wettelijk afgebakende criteria voor schuldsanering binnen de hersteloperatie toeslagen: niet iedere uitstaande schuld van een erkende gedupeerde komt automatisch in aanmerking. De opeisbaarheidseis en het vereiste van een betalingsachterstand fungeren als harde drempelcriteria. Voor andere toeslagengedupeerden in vergelijkbare situaties — schulden die wel bestonden maar niet formeel opeisbaar waren vóór de peildatum — bevestigt deze uitspraak dat zij buiten de regeling vallen, tenzij alsnog aan de wettelijke voorwaarden kan worden voldaan.