JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4441Laag18/100

Beroep tegen ORAC-locatie ongegrond verklaard

ECLI:NL:RVS:2026:4441, Raad van State, 29-07-2026, 202502612/1/R1

Raad van StateUitspraak: 29 juli 2026Publicatie: 29 juli 2026
Procedure:Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer:202502612/1/R1
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Overheid
Handhaving
Vergunningen
Milieu
Zienswijze
Orac
Locatiebesluit
Inspraakprocedure
Afvalcontainers

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit, bekendgemaakt op 20 juni 2025, heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de locatie tegenover het perceel [locatie] te Rotterdam aangewezen voor het plaatsen van ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s). [appellant] woont op het adres [locatie]. De ORAC’s zijn voorzien tegenover haar woning.[appellant] betoogt dat het college de procedure niet goed heeft doorlopen aangezien het college al op 31 maart 2025 een definitief besluit genomen heeft, terwijl er eigenlijk een periode van 6 weken vanaf 5 maart 2025 stond voor het indienen van zienswijzen. Dit geeft de indruk dat het besluit van het college van tevoren definitief vaststond en zienswijzen niet relevant waren. [appellant] betoogt dat de locaties voor de ORAC’s te ver van de ingang van het appartementencomplex aan de Pampuskade zijn voorzien. Daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstanden.

Kern van de zaak

Een bewoonster verzet zich tegen de aanwijzing van een locatie voor ondergrondse restafvalcontainers (ORAC's) tegenover haar woning. Zij stelt dat de procedure gebrekkig was omdat het college al op 31 maart 2025 een definitief besluit leek te hebben genomen, terwijl de zienswijzetermijn nog liep. Zij stapte naar de Raad van State om de aanwijzing te laten vernietigen.

Beslissing van de rechter

De Raad van State verklaart het beroep ongegrond. Het definitieve aanwijzingsbesluit is pas op 20 juni 2025 gepubliceerd, ná het verstrijken van de zienswijzetermijn, zodat de procedureklacht feitelijk onjuist is; een brief van 31 maart 2025 met beantwoording van de zienswijze bewijst op zichzelf niet dat zienswijzen niet relevant waren.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een enkelvoudige kamer-uitspraak over een individuele ORAC-locatie zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is in lijn met vaste jurisprudentie en heeft beperkte bredere precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1Het college heeft bij de keuze van een ORAC-locatie beleidsruimte en moet alle betrokken belangen afwegen.
  • 2De Afdeling toetst of de nadelige gevolgen niet onevenredig zijn en of er een zodanig geschiktere alternatieve locatie bestaat dat het college daarvoor had moeten kiezen.
  • 3Het ontwerp-aanwijzingsbesluit is gepubliceerd op 5 maart 2025; appellante heeft tijdig zienswijze ingediend op 18 maart 2025.
  • 4Het definitieve aanwijzingsbesluit is gepubliceerd op 20 juni 2025, dus ná het verstrijken van de zienswijzetermijn — de procedurebezwaren van appellante zijn feitelijk onjuist.
  • 5Een brief met beantwoording van een zienswijze op 31 maart 2025 impliceert niet dat het besluit al vaststond of dat zienswijzen niet zijn meegewogen.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak over de toetsing van ORAC-locatiebesluiten en maakt duidelijk dat procedurele bezwaren feitelijk onderbouwd moeten worden. Een vroeg verzonden antwoordbrief op een zienswijze levert op zichzelf geen schending van de inspraakprocedure op.

Praktische impact

De ORAC's worden geplaatst tegenover de woning van appellante; haar beroep heeft geen vertraging of wijziging van de locatieaanwijzing opgeleverd. Bewoners die bezwaar maken tegen ORAC-plaatsingen dienen concrete feiten aan te dragen over procedurefouten of duidelijk betere alternatieve locaties.

Onderwerp-impact

Voor gemeenten die ORAC-locatieplannen vaststellen bevestigt deze uitspraak dat het verzenden van een antwoord op zienswijzen vóór de formele publicatiedatum van het definitieve besluit niet automatisch een procedurefout oplevert, mits het definitieve besluit pas na de inspraaktermijn wordt gepubliceerd.

Samenvatting

In deze zaak komt een bewoonster op tegen de aanwijzing van een locatie voor ondergrondse restafvalcontainers (ORAC's) tegenover haar woning door het college van burgemeester en wethouders. Zij voerde aan dat de procedure gebrekkig is verlopen, omdat het college haar op 31 maart 2025 al een brief stuurde met de beantwoording van haar zienswijze, terwijl de zienswijzetermijn van zes weken na publicatie van het ontwerp-aanwijzingsbesluit op 5 maart 2025 formeel nog niet was verstreken. Volgens appellante wekte dit de indruk dat het besluit reeds definitief vaststond en dat haar inbreng zinloos was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dit betoog niet. Zij stelt vast dat het ontwerp-aanwijzingsbesluit op 5 maart 2025 is gepubliceerd, dat appellante haar zienswijze op 18 maart 2025 heeft ingediend en dat het definitieve aanwijzingsbesluit pas op 20 juni 2025 is gepubliceerd — dus ruimschoots ná het verstrijken van de zienswijzetermijn. Van een procedurele onregelmatigheid is daarmee feitelijk geen sprake. Dat het college tussentijds een brief met een reactie op de zienswijze heeft verzonden, maakt dit niet anders: uit de verzenddatum van die brief kan niet worden afgeleid dat de zienswijzen niet zijn meegewogen bij de uiteindelijke besluitvorming. Het toetsingskader dat de Afdeling hanteert bij ORAC-locatiebesluiten is tweeledig: eerst beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten, en vervolgens of een alternatieve locatie zodanig geschikter was dat het college daar had moeten kiezen. In deze uitspraak komt de Afdeling aan die inhoudelijke toetsing nauwelijks toe, omdat de beroepsgronden enkel de procedurele rechtmatigheid betreffen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 2 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123, Raad van State, 09-09-2026, 202203505/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5312Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5312, Raad van State, 09-09-2026, 202500668/1/A2

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied