Toestemming beveiliger geweigerd wegens veelvuldige verkeersovertredingen
ECLI:NL:RVS:2026:4429, Raad van State, 29-07-2026, 202505021/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 5 januari 2024 heeft korpschef van politie een aanvraag van Securitas Nederland om [appellant] beveiligingswerkzaamheden te mogen laten verrichten voor dat bedrijf afgewezen. Op 2 december 2023 heeft Securitas Nederland aan de korpschef toestemming verzocht als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus om [appellant] beveiligingswerkzaamheden voor haar te laten verrichten. De korpschef heeft deze toestemming onthouden, omdat [appellant] volgens hem niet beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het verrichten van beveiligerswerk. De korpschef heeft aan de afwijzing meerdere verkeersovertredingen ten grondslag gelegd. De korpschef beschouwt het structureel overtreden van de rechtsregels in samenhang met de verdenkingen van recalcitrant gedrag als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Hierdoor zijn de betrouwbaarheid en de integriteit van [appellant] volgens de korpschef niet boven iedere twijfel verheven.
Kern van de zaak
Securitas Nederland vroeg namens [appellant] toestemming aan de korpschef om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. De korpschef weigerde deze toestemming omdat [appellant] onvoldoende betrouwbaar werd geacht, gelet op meerdere strafbeschikkingen en tien Mulder-gedragingen over een periode van meerdere jaren. [Appellant] vocht deze beslissing aan tot aan de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De doorslaggevende reden is dat [appellant] door een reeks verkeersovertredingen – waaronder rijden zonder rijbewijs, negeren van rood licht en rijden zonder verzekering – niet voldoet aan de betrouwbaarheidseisen die de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) stelt.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen een gevestigde lijn van de Raad van State over betrouwbaarheidstoetsing onder de Wpbr en stelt geen nieuwe rechtsregels. De zaak is casuïstisch van aard en heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1De korpschef heeft op grond van artikel 7 lid 2 Wpbr toestemming geweigerd wegens onvoldoende betrouwbaarheid van [appellant].
- 2Aan de weigering liggen twee strafbeschikkingen voor rijden zonder rijbewijs én tien Mulder-gedragingen ten grondslag.
- 3De overtredingen beslaan een langere periode (2019-2023), wat structureel normoverschrijdend gedrag suggereert.
- 4De Raad van State bevestigt het oordeel van de lagere rechter zonder inhoudelijke wijziging.
- 5Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat ook relatief lichte maar frequente verkeersovertredingen (Mulder-gedragingen) mogen worden meegewogen bij de beoordeling van betrouwbaarheid in de zin van de Wpbr. Dit sluit aan bij de bestaande lijn dat de korpschef een ruime beoordelingsmarge heeft bij betrouwbaarheidstoetsing.
Praktische impact
Voor [appellant] betekent dit dat hij geen toestemming krijgt om als beveiliger te werken bij Securitas Nederland. Beveiligingsbedrijven en aspirant-beveiligers worden geconfronteerd met de boodschap dat een patroon van verkeersgedrag de toegang tot de sector definitief kan blokkeren.
Onderwerp-impact
In de beveiligingsbranche onderstreept deze uitspraak het belang van een onberispelijk gedragsverleden; werkgevers dienen kandidaten grondig te screenen op justitiële documentatie én Mulder-feiten voordat zij een toestemmingsaanvraag indienen.
Samenvatting
In deze zaak verzocht beveiligingsbedrijf Securitas Nederland de korpschef om toestemming voor [appellant] om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, zoals vereist op grond van artikel 7 lid 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). De korpschef weigerde deze toestemming omdat [appellant] niet zou beschikken over de vereiste betrouwbaarheid. Aan dit oordeel lagen meerdere verkeersovertredingen ten grondslag: twee strafbeschikkingen uit januari 2022 voor het besturen van een voertuig zonder rijbewijs (gedragingen uit oktober 2019), alsmede tien zogenoemde Mulder-gedragingen in de periode 2020-2023. Deze lichte verkeersfeiten betroffen onder meer het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden (meerdere keren), het negeren van rood licht, rijden zonder geldige verzekering, en het niet afgeven van het rijbewijs op eerste vordering. Tevens werd in politieregistraties melding gemaakt van gedrag van [appellant] over een langere periode. De centrale juridische vraag was of de korpschef op goede gronden de toestemming kon onthouden op basis van dit samenstel van overtredingen. De rechtbank beantwoordde die vraag bevestigend. De Raad van State bevestigt in hoger beroep de aangevallen uitspraak en oordeelt dat de korpschef terecht tot zijn conclusie is gekomen dat [appellant] niet voldoet aan de betrouwbaarheidseisen. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. De uitspraak illustreert dat de betrouwbaarheidstoets onder de Wpbr niet beperkt is tot strafbare feiten die op de justitiële documentatie staan, maar ook lichtere, administratiefrechtelijk afgedane gedragingen kan omvatten wanneer deze in onderlinge samenhang een patroon van normoverschrijdend gedrag tonen.