Raad van State bevestigt dwangsom straathandel drugs Leeuwarden
ECLI:NL:RVS:2026:4425, Raad van State, 29-07-2026, 202505838/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 april 2024 heeft de burgemeester van Leeuwarden aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Volgens een bestuurlijke rapportage van de politie heeft [appellant] gehandeld in drugs op straat. De burgemeester heeft hierop aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd om te voorkomen dat hij nogmaals handelt in strijd met artikel 2:74 van de Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden. Volgens dit artikel is het verboden je op de openbare weg te begeven met de kennelijke bedoeling om in verdovende middelen te handelen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester op basis van de bestuurlijke rapportage terecht heeft geconcludeerd dat aannemelijk is dat [appellant] artikel 2:74 van de APV heeft overtreden.
Kern van de zaak
De burgemeester van Leeuwarden legde een last onder dwangsom op aan een man die verdacht werd van straathandel in drugs, op basis van een bestuurlijke rapportage van de politie. De man betwistte dat voldoende aannemelijk was gemaakt dat hij artikel 2:74 APV Leeuwarden had overtreden. De zaak betreft tevens de hoogte van de opgelegde dwangsom van maximaal € 20.000,00.
Beslissing van de rechter
De Raad van State heeft het betoog van appellant verworpen dat de bestuurlijke rapportage onvoldoende concrete omstandigheden bevatte; de rapportage, getuigenverklaring en aanvullende rapportage maakten voldoende aannemelijk dat appellant de APV-bepaling overtrad. Over de hoogte van de dwangsom is de uitspraak op basis van de beschikbare tekst niet volledig weergegeven, maar het primaire beroepsgrond slaagde niet.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande rechtspraak over bestuurlijke handhaving en APV-overtredingen en stelt geen nieuwe rechtsnormen; de impact is beperkt tot bevestiging van de gemeentelijke handhavingspraktijk in vergelijkbare gevallen.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 2:74 APV Leeuwarden verbiedt het zich ophouden op een openbare weg met het kennelijke doel in verdovende middelen te handelen; fysieke overdracht of getest aantreffen van drugs is niet vereist voor overtreding.
- 2Een bestuurlijke rapportage van de politie (CIG Leeuwarden) kan voldoende grondslag bieden voor het aannemen van een overtreding, mits deze concrete omstandigheden bevat.
- 3Een getuigenverklaring dat recentelijk heroïne was gekocht bij appellant versterkte de aannemelijkheid van het kennelijke doel.
- 4Uit een aanvullende rapportage bleek ter zitting dat het inderdaad om drugs ging; dit was tussen partijen niet langer in geschil.
- 5De burgemeester was bevoegd de last onder dwangsom op te leggen en heeft redelijkerwijs van die bevoegdheid gebruik kunnen maken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat voor overtreding van een APV-verbodsbepaling inzake straathandel het 'kennelijke doel' doorslaggevend is en dat een combinatie van politierapportage en getuigenverklaring voldoende bewijs kan vormen. Het stelt geen nieuwe rechtsregel, maar bevestigt de bestaande lijn dat bestuurlijke handhaving bij drugsoverlast niet afhankelijk is van strafrechtelijk bewijs.
Praktische impact
Burgers die op basis van politieobservaties en getuigenverklaringen worden aangemerkt als vermoedelijke straathandelaar in drugs kunnen een last onder dwangsom opgelegd krijgen zonder dat de drugs chemisch zijn getest of strafrechtelijk bewijs is vereist. Gemeenten worden in hun handhavingsbevoegdheid bevestigd.
Onderwerp-impact
Voor gemeentelijk handhavingsbeleid rondom drugsoverlast op straat biedt deze uitspraak steun aan het gebruik van bestuurlijke rapportages als bewijs voor APV-overtredingen, wat de slagkracht van de aanpak van straathandel vergroot.
Samenvatting
De burgemeester van Leeuwarden legde aan appellant een last onder dwangsom op van € 5.000,00 per overtreding met een maximum van € 20.000,00, nadat de politie (CIG Leeuwarden) had gerapporteerd dat appellant vermoedelijk drugs dealde op straat. Grondslag was artikel 2:74 van de APV Leeuwarden, dat het verbiedt zich op de openbare weg te begeven met het kennelijke doel in verdovende middelen te handelen. Appellant voerde in hoger beroep bij de Raad van State aan dat de bestuurlijke rapportage onvoldoende concrete omstandigheden bevatte om aannemelijk te maken dat hij de APV-bepaling had overtreden. De rechtbank had dit betoog al verworpen en geoordeeld dat het aantreffen van vermoedelijke harddrugs bij aanhouding en de politieobservaties voldoende waren, en dat het ontbreken van een chemische test niet relevant was omdat de bepaling al wordt overtreden door het zich ophouden met het kennelijke doel. De Raad van State bevestigt dit oordeel. De bestuurlijke rapportage bevatte naast politieobservaties ook een getuigenverklaring waaruit bleek dat de getuige recentelijk heroïne had gekocht bij de inzittenden van de auto, onder wie appellant. Ter zitting bleek bovendien uit een aanvullende rapportage dat het inderdaad om drugs ging, hetgeen tussen partijen niet langer in geschil was. Het betoog dat de rapportage onvoldoende concrete omstandigheden bevatte, slaagt dan ook niet. Daarnaast voerde appellant aan dat de hoogte van de dwangsom niet evenredig was en verzocht hij het maximum te verlagen naar € 10.000,00. De beschikbare uitspraaktekst laat de beslissing op dit punt niet volledig zien. De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat bestuurlijke handhaving van APV-bepalingen inzake straathandel mogelijk is op basis van politierapportages en getuigenverklaringen, zonder dat strafrechtelijk bewijs of chemische drugstest vereist is.