Handhavingsverzoek varkenshouderijen afgewezen, schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
ECLI:NL:RVS:2026:4420, Raad van State, 29-07-2026, 202401262/1/R4
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 8 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Raalte het verzoek van [appellant] van 23 december 2021 om handhavend op te treden tegen de uitwisseling van materieel tussen de varkenshouderijen aan de [locatie 1] en aan de [locatie 2] in Raalte, afgewezen. [appellant] en zijn familie wonen aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Raalte. Op ongeveer 60 m ten zuiden daarvan ligt de varkenshouderij aan de [locatie 2] en op ongeveer 180 m ten noordoosten ligt de varkenshouderij aan de [locatie 1]. Op dit adres woont ook [gemachtigde A] en is [bedrijf] gevestigd. [appellant] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen beide varkenshouderijen, omdat hij overlast ervaart doordat tussen de bedrijven materieel wordt uitgewisseld. Volgens hem wordt dagelijks materieel dat toebehoort aan één van beide varkenshouderijen, in het bijzonder beide shovels, een verreiker, een tractor met bijbehorende werktuigen, een mestscheider en een zitmaaier, ingezet op beide bedrijven, waardoor dit materieel steeds over de weg langs de woningen van [appellant] heen en weer wordt verplaatst.
Kern van de zaak
Appellant woont nabij twee varkenshouderijen in Raalte en verzoekt handhaving omdat hij stelt dat de bedrijven materieel onderling uitwisselen, waardoor zij als één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zouden moeten worden aangemerkt. Hij ervaart overlast van het dagelijks heen-en-weer rijden van shovels, verreiker, tractor en andere machines langs zijn woning.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de aangevallen uitspraak, waarmee het handhavingsverzoek kennelijk ongegrond of afgewezen blijft. Wel wordt een schadevergoeding van € 500,00 toegewezen wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedures.
Impactscore
LaagDe uitspraak is sterk casuïstisch en bevestigt bestaande rechtspraak over het inrichtingsbegrip en het overgangsrecht Omgevingswet; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de maatschappelijke reikwijdte is beperkt tot de directe betrokkenen.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat het handhavingsverzoek vóór 1 januari 2024 (23 december 2021) is ingediend, blijft het oude recht (Wabo/Wet milieubeheer) van toepassing tot onherroepelijkheid.
- 2Kern van het geschil: zijn de twee varkenshouderijen wegens technische, organisatorische of functionele bindingen en onderlinge nabijheid als één inrichting te kwalificeren (art. 1.1 lid 4 Wet milieubeheer)?
- 3De Raad van State bevestigt het oordeel van de eerdere rechter: het college hoefde niet handhavend op te treden.
- 4Wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt € 500,00 schadevergoeding toegekend aan appellanten gezamenlijk.
- 5De Staat (minister van BZK) wordt veroordeeld in de proceskosten samenhangend met het schadevergoedingsverzoek.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en bevestigt de criteria voor kwalificatie als één inrichting op grond van artikel 1.1 lid 4 Wet milieubeheer. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking nu de beslissing sterk feitelijk bepaald is.
Praktische impact
Voor appellant levert de uitspraak geen handhaving op tegen de varkenshouderijen; hij ontvangt slechts een symbolische vergoeding van € 500,00 voor de lange procesduur. De varkenshouderijen kunnen hun activiteiten voortzetten onder de bestaande afzonderlijke omgevingsvergunningen.
Onderwerp-impact
Voor omgevingsrecht-praktijk bevestigt deze zaak dat het enkele uitwisselen van materieel tussen nabijgelegen bedrijven niet zonder meer leidt tot kwalificatie als één inrichting; de drempel voor handhaving op dit punt blijft hoog.
Samenvatting
Deze zaak betreft een buurtbewoner in Raalte die het college verzocht handhavend op te treden tegen twee nabijgelegen varkenshouderijen. Zijn standpunt was dat de bedrijven dagelijks materieel — waaronder shovels, een verreiker en een mestscheider — met elkaar uitwisselen en daarmee moeten worden aangemerkt als één inrichting in de zin van artikel 1.1 lid 4 van de Wet milieubeheer. Die kwalificatie zou betekenen dat de afzonderlijke omgevingsvergunningen worden overtreden en handhaving aangewezen is. Het college weigerde te handhaven; de rechtbank bevestigde die weigering en de zaak belandde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een belangrijk procesrechtelijk aspect is het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Omdat het handhavingsverzoek al op 23 december 2021 was ingediend, blijft op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is. De Afdeling beoordeelt de zaak dan ook volledig naar Wabo- en Wet milieubeheer-recht. De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak: het handhavingsverzoek is terecht afgewezen. Het college was niet gehouden om op te treden, omdat niet is aangetoond dat de twee varkenshouderijen voldoen aan de vereisten voor kwalificatie als één inrichting. Naast de inhoudelijke beslissing wijst de Afdeling wel een schadevergoeding toe van € 500,00 aan appellanten gezamenlijk wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de procedure had moeten worden afgerond. De Staat (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) wordt tevens veroordeeld in de proceskosten die appellanten hebben gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking: zij bevestigt bestaande kaders voor het inrichtingsbegrip en het overgangsrecht, maar stelt geen nieuwe rechtsregels.