Student rechtsgeleerdheid krijgt beperkte studieaanpassingen toegewezen
ECLI:NL:RVS:2026:4411, Raad van State, 29-07-2026, 202601536/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij beslissing van 23 maart 2026 heeft de examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid een verzoek van [appellant] om tentamen- en onderwijsvoorzieningen in verband met een functiebeperking gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen. Bij beslissing van 23 april 2026 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] volgt de masteropleiding Rechtsgeleerdheid. De beslissing van 23 maart 2026 houdt in dat [appellant] voorafgaand aan onderwijsbijeenkomsten slides ontvangt, voor zover dergelijke slides daadwerkelijk worden gebruikt, en dat hij daarnaast extra tijd krijgt voor presentaties en andere mondelinge toetsmomenten. Het CBE heeft het administratief beroep versneld behandeld en de examencommissie daarom toestemming gegeven om geen verweerschrift in te dienen. Het CBE heeft aan de beslissing van 23 april 2026 ten grondslag gelegd dat van examinatoren niet kan worden verlangd dat zij speciaal voor [appellant], voorafgaand aan onderwijsmomenten, docentvoorbereiding en (casus)uitwerkingen of daarmee vergelijkbare stukken, indien die niet bestaan, maken en verstrekken.
Kern van de zaak
Een masterstudent Rechtsgeleerdheid verzocht om aanvullende onderwijsvoorzieningen, waaronder het vooraf ontvangen van casusmaterialen en docentvoorbereiding. De examencommissie kende beperkte voorzieningen toe (slides en extra tijd bij mondelinge toetsen), maar weigerde het vooraf verstrekken van casus- en uitwerkingsmateriaal. Het College van Beroep voor de Examens (CBE) bevestigde dit besluit in administratief beroep.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard. De weigering om casusmaterialen vooraf te verstrekken is terecht, omdat dit afbreuk zou doen aan het leerdoel van de onderwijsvorm (juridisch redeneren vanuit ter plekke beschikbare informatie) en van examinatoren niet kan worden verlangd hiervoor speciaal materiaal aan te maken.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een individuele casus over studieaanpassingen in het hoger onderwijs en stelt geen nieuwe rechtsregels. De relevantie is voornamelijk illustratief voor vergelijkbare casuïstiek binnen onderwijsinstellingen.
Belangrijkste punten
- 1Student ontvangt slides vooraf (indien beschikbaar) en extra tijd bij mondelinge toetsmomenten als toegewezen voorzieningen
- 2Verzoek om vooraf te verstrekken casus- en uitwerkingsmateriaal afgewezen wegens strijd met het leerdoel van de onderwijsvorm
- 3CBE mocht het administratief beroep versneld behandelen zonder toestemming van partijen, in het belang van de student
- 4Examencommissie hoefde geen verweerschrift in te dienen bij versnelde behandeling
- 5Van examinatoren kan niet worden verlangd dat zij speciaal voor één student nieuw materiaal aanmaken en verstrekken
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat onderwijsinstellingen bij het toekennen van studieaanpassingen de integriteit van de onderwijsvorm en de leerdoelen mogen laten prevaleren boven individuele verzoeken om uitgebreidere voorzieningen. Versnelde behandeling van administratief beroep door het CBE vereist geen toestemming van partijen.
Praktische impact
De student moet het met de beperktere voorzieningen doen; casusmaterialen worden niet vooraf gedeeld. Andere studenten met vergelijkbare verzoeken kunnen op basis van deze uitspraak eveneens worden afgewezen wanneer de gevraagde aanpassing het leerdoel ondermijnt.
Onderwerp-impact
Onderwijsinstellingen hebben bevestigd gekregen dat zij studieaanpassingen mogen weigeren wanneer deze structureel afbreuk doen aan de onderwijsdoelstelling, zelfs als een student bijzondere omstandigheden aanvoert.
Samenvatting
Een masterstudent Rechtsgeleerdheid ontving van de examencommissie een aantal studieaanpassingen: het vooraf ontvangen van slides (voor zover die bestaan) en extra tijd bij mondelinge toetsmomenten. De student was hier niet tevreden mee en verzocht ook om het vooraf ontvangen van casus- en uitwerkingsmateriaal, evenals docentvoorbereiding. De examencommissie weigerde dit, waarna de student administratief beroep instelde bij het College van Beroep voor de Examens (CBE). Het CBE behandelde het beroep versneld, zonder verweerschrift van de examencommissie en zonder toestemming van partijen daarvoor te vragen. De student betwistte de rechtmatigheid van deze versnelde behandeling. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde hierover dat versnelde behandeling door het CBE geen toestemming van partijen vereist en dat geen rechtsregel was geschonden. Inhoudelijk onderschreef de Afdeling het standpunt van het CBE dat het verstrekken van casusmaterialen vooraf onverenigbaar is met de onderwijsvorm van het vak Arbeid en Geschilbeslechting. Die werkgroepvorm is er juist op gericht dat studenten leren juridisch te redeneren op basis van informatie die pas tijdens de bijeenkomst beschikbaar komt. Het vooraf delen van de casus zou dit leerdoel rechtstreeks ondermijnen. Bovendien kan van examinatoren niet worden gevergd dat zij speciaal voor één student materiaal aanmaken en verstrekken dat normaliter niet bestaat. Het hoger beroep werd dan ook ongegrond verklaard. De uitspraak bevestigt dat onderwijsinstellingen bij studieaanpassingen de pedagogische integriteit van een onderwijsvorm mogen beschermen en dat een verzoek om aanvullende voorzieningen kan worden geweigerd wanneer inwilliging het leerdoel van de opleiding zou frustreren.