JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4410Laag28/100

Kleindochter niet-ontvankelijk bij handhaving verwijderde gedenksteen

ECLI:NL:RVS:2026:4410, Raad van State, 29-07-2026, 202501680/1/A2

Raad van StateUitspraak: 29 juli 2026Publicatie: 29 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202501680/1/A2
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Overheid
Handhaving
Vergunningen
Monumentenzorg
Handhavingsverzoek
Belanghebbende
Grafrecht
Begraafplaats

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek aan het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland om handhavend op te treden op grond van de Monumentenverordening gemeente Smallingerland 2010. Het college heeft de Noorderbegraafplaats, gelegen aan de Stationsweg 1446 te Drachten, op 26 april 2001 aangewezen als monument. De Protestantse Gemeente te Drachten is eigenaar van de begraafplaats. De Protestantse Gemeente heeft de gedenksteen van het graf van de oma van [appellant] verwijderd van de begraafplaats op 1 januari 2023. Volgens [appellant] heeft het college de gedenksteen (mede) aangewezen als monument en mocht de Protestantse Gemeente daarom niet de gedenksteen verwijderen zonder een vergunning van het college.

Kern van de zaak

De Protestantse Gemeente te Drachten verwijderde in januari 2023 de gedenksteen van het graf van de oma van appellant van de als monument aangewezen Noorderbegraafplaats. Appellant verzocht het college van B&W om handhaving op grond van de Monumentenverordening. Het college stelde dat appellant geen belanghebbende is en dat haar verzoek dus geen aanvraag in de zin van de Awb betreft.

Beslissing van de rechter

De Raad van State bevestigt (op basis van het beschikbare tekstfragment) de onbevoegdverklaring van de rechtbank, omdat appellant geen houder is van het grafrecht en daarmee geen belanghebbende is bij het verzochte handhavingsbesluit. Zonder de status van belanghebbende kan geen sprake zijn van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 lid 3 Awb en staat geen bezwaar of beroep open.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past een bestaand, uitgekristalliseerd rechtskader (het belanghebbendebegrip uit de Awb) toe op een specifieke feitelijke situatie en stelt geen nieuwe rechtsregels. De maatschappelijke reikwijdte is beperkt tot een relatief kleine groep nabestaanden in vergelijkbare omstandigheden.

Belangrijkste punten

  • 1De Noorderbegraafplaats te Drachten is sinds 2001 aangewezen als gemeentelijk monument; de vraag is of die aanwijzing ook individuele grafstenen omvat.
  • 2Het college weigerde het handhavingsverzoek inhoudelijk te behandelen omdat appellant geen belanghebbende (artikel 1:2 Awb) zou zijn.
  • 3Zonder de status van belanghebbende is het verzoek geen aanvraag ex artikel 1:3 lid 3 Awb en de reactie van het college geen appellabel besluit.
  • 4Appellant is niet de houder van het grafrecht, wat de rechtbank en vermoedelijk ook de Raad van State doorslaggevend achten voor het ontbreken van belanghebbendheid.
  • 5De procedure kende meerdere processuele stappen: onbevoegdverklaring, gegrond verzet, hernieuwde zitting en wederom onbevoegdverklaring door de rechtbank, gevolgd door hoger beroep bij de RvS.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt dat familieleden van een overledene die geen houder zijn van het grafrecht niet als belanghebbende worden aangemerkt bij handhavingsverzoeken in het kader van monumentenzorg, waardoor de toegang tot bestuursrechtelijke rechtsbescherming voor hen is afgesloten. Dit bevestigt een strikte uitleg van het belanghebbendebegrip in de Awb bij erfgoedhandhaving.

Praktische impact

Nabestaanden die geen grafrechthebbende zijn, kunnen het bevoegde gezag niet via de bestuursrechtelijke weg dwingen tot handhaving bij verwijdering van grafstenen op beschermde begraafplaatsen. Zij zijn aangewezen op andere routes, zoals overleg met de eigenaar of een civielrechtelijke procedure.

Onderwerp-impact

Voor gemeenten en kerkelijke instellingen die begraafplaatsen beheren bevestigt de uitspraak dat de grafrechthebbende de aangewezen partij is voor handhavingsverzoeken bij monumentenrechtelijke kwesties, wat de praktijk van beheer en verwijdering van grafstenen op beschermde locaties verduidelijkt.

Samenvatting

Deze zaak draait om de vraag of de kleindochter van een overledene als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een verzoek om handhaving van de Monumentenverordening, nadat de Protestantse Gemeente te Drachten de gedenksteen van het graf van haar oma had verwijderd van de als monument aangewezen Noorderbegraafplaats. De begraafplaats aan de Stationsweg te Drachten is in 2001 door het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland aangewezen als gemeentelijk monument. Appellant stelde dat de gedenksteen onderdeel uitmaakte van het monument en dat verwijdering ervan zonder vergunning in strijd was met de Monumentenverordening. Zij verzocht het college op 26 maart 2024 om handhavend op te treden. Het college weigerde het verzoek inhoudelijk te behandelen, omdat appellant naar zijn oordeel geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 Awb. Zonder die status kan haar verzoek niet worden aangemerkt als een aanvraag ex artikel 1:3 lid 3 Awb en heeft de reactie van het college geen besluitkarakter, zodat geen bezwaar of beroep openstaat. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde zich in eerste instantie onbevoegd, verklaarde het verzet van appellant gegrond, maar oordeelde na een inhoudelijke zitting wederom dat appellant geen belanghebbende is omdat zij niet de houder is van het grafrecht. De Raad van State behandelt het hoger beroep tegen die beslissing. Op basis van het beschikbare tekstfragment bevestigt de Raad van State de redenering van de rechtbank: het ontbreken van het grafrecht staat in de weg aan de kwalificatie als belanghebbende, waardoor de bestuursrechtelijke rechtsgang voor appellant is afgesloten. De uitspraak illustreert de grenzen van het bestuursrechtelijke belanghebbendebegrip in erfgoedzaken en laat zien dat niet iedere emotionele of familiale band met een monument volstaat voor toegang tot de bestuursrechter.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 29 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4406Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4406, Raad van State, 29-07-2026, 202402336/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4419Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4419, Raad van State, 29-07-2026, 202402095/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4404Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4404, Raad van State, 29-07-2026, 202407843/1/R3 en 202407846/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenMilieu
38/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4439Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4439, Raad van State, 29-07-2026, 202403626/1/R3

Raad van State29 jul 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied